Onderwijs

Wat het onderwijs aan de kinderen betreft, besloot de Classis dat de predikanten hun beste krachten er aan zouden wijden dat de scholen in goede orde komen (1594), en dat ook goede boeken geleerd worden, “opdat de kinderen in de ware Religie opgetrokken mogen worden”. Aangezien Gerhardus Brandt en diens opvolger Theodorus van der Heyden Roomsch waren, zijn zij verwijderd, althans de laatste (1609). De schoolmeesters behoefden in dezen tijd alleen des winters maar school te houden, en waren aan het opzicht der Kerk onderworpen. Ds. Herm. Goddaeus zocht voor zijn naamge­noot Conradus Goddaeus (niet zijn zoon) in 1629 een plaats als leeraar aan een hoogere onderwijs-inrichting, omdat deze door de Jezuiëten verdreven was.

Voorts was in datzelfde jaar een onderwijzer door eenige particulieren te “Wapenfelt” aangesteld, maar deze moest zoo spoedig mogelijk gelijk de andere “schollmeisters” de formulieren onderteekenen.

In 1631 werd aan den predikant opgedragen, samen met die van Epe en Oene bij den Schout en Ambtsjonkers van Epe aan te dringen, dat het tractement van den school­meester te Epe Jannes Torsius niet vermindere, daar het gebracht was op 4 mud rogge. Men behoorde den school­meester in deze “duire en benaude” tijden te helpen.