Kerkhistorie rond 1800

De Franse revolutie

De tijd dien ds. Mijnssen hier gearbeid heeft is in alle opzich­ten zwaar en moeilijk te noemen, hetgeen ons nader blijken zal.

Vooreerst ondervond het Vaderland en dus ook de Kerk den invloed der Revolutie. De stukken van overheidswege aan de kerkelijke gemeenten verzonden zijn hier niet bewaard gebleven, maar gelukkig heeft de predikant er toch iets van aangeteekend.

 

Ontstaan van de kerkvoogdij

De Kerkeraden werden in 1798 overal in ver­legenheid gebracht doordat het besluit afkwam dat de Lands-tractementen werden ingetrokken. Zoo lieten de Kerkeraden zich van 1795 af dikwijls bijstaan door geziene lieden uit de gemeente, “notabele” personen genoemd vandaar het woord notabel. Hier liggen de wortels van het ontstaan der Kerkvoogdij, dat de kwestie van bestuur (Kerkeraad) en beheer (Kerkvoogdij) in het leven heeft geroepen[1].

Ds. Mijnssen schrijft dan als volgt:

Donderdag 27 Maart 1800.

 

De omstandigheden van tyden vorderende dat de Kerkelyke goederen op een vasten voet van administratie worden gebracht, is goed gevonden en verstaan om aan de gemeente voor te stellen, of zy verkoos, de administratie te doen verblyven aan den Kerkeraad of wel aan gecommit­teerden uit de gemeente, en zyn voorts daartoe de stemmen opgenomen.

Hebbende gestemd voor den Kerkeraad: Niemand.

 

Voor een Kerkelyke Commissie uit de Gemeente: Jan Pannekoek, Willem Emaus, Dirk de Graaf, Jan Poelman, Willem Schipper, Lambert Cornelisz, Jan Gisbertz, Harmen Willemsz., Paul Jonker, Johannes Montizaan, Gerrit de Graaf, Hendrik de Graaf, Bartus de Graaf, Barteld te Water.

De Kerkeraad stemt met het gedane voorstel in, en voegt zich by degenen die hunne stemmen voor de Kerkelyke Com­missie uit de Gemeente hebben uitgebracht. Zynde hiertoe benoemd met eenparigheid van stemmen Joost Terwel, Lubbert van Gerven, Jochem Lange en Jan Hulstman, die die opgelegde last in de vreeze des Heeren volvaardig op zich hebben genomen.

Zoo is er dus in 1800 een College van Beheerders tot stand gekomen, en komt de scheiding van bestuur en beheer niet geheel op rekening van het Koninklijk reglement van 7 januari 1816.

 

Diaconale goederen

Naast de kerkegoederen openbaarde zich de kwestie der diaconale goederen. De Diaconie liep nl. gevaar hare zelf­standigheid te verliezen door overgave aan den Staat. Nu hadden de Kerkeraden voorheen de broederlijke gewoonte om in moeilijke zaken ook voormalige kerkeraadsleden op te roepen, hetgeen te verklaren valt uit het feit, dat de aftreden­den ook werkelijk heengingen.

Op Hervormingsdag, 31 october 1800 is er dan een breede vergadering van Kerkeraad en Oud-Kerkeraad en de Kerke­lijke Commissie. De notulen luiden als volgt:

Alle present, uitgenomen Paulus Heering en Dirk Bomhoff.

Is gelezen een ingekomen schryven van het Departementaal bestuur[2] van den Ouden IJssel van dato Zwolle den 16 September 1800, waarbij vereischt werd:

  1. opgave van den staat van het armwezen in elk district en gemeente, benevens de armenfondsen, onder wat naam ook, waaruit de armen worden onderhouden.
  2. afvraging aan alle de kerkgenootschappen op een wettige wyze, of dezelve zich in staat en bereidwillig bevinden om hunne behoeftige leden te onderhouden etc, dan wel of dezelve verkiezen hunne bedeelden niet te onderhouden en mitsdien zich verplicht zien, om derzelver armen als kinderen van Staat over te geven en zulks met afstand van alle fondsen hoe ook genaamd.
  3. om de Gemeentebesturen te engageeren om de resp. Kerkgenootschappen onder hun ressort te gelasten om insge-lyks met de administratie en bestuur van hun armwezen op denzelfden voet als tot hier toe gebruikelyk is, voort te gaan.

Aangezien er te Vaassen een Kerkeraad is, is deze met de leden der Kerkelijke Commissie opgeroepen, met den oud-Kerkeraad om over deze zaak een voorloopig besluit te nemen. Er wordt opgemerkt dat de rekening en verantwoording der armenpenningen geschiedt door den regeerenden diaken ten overstaan van predikant en ouderlingen en verderen Kerke­raad.

Ten aanzien van de aanschrijving van het Uitvoerend Be­wind aan het Ambt Epe, die deze aanschrijving had doorge­zonden aan den Kerkeraad van Vaassen, is besloten met eenparigheid van stemmen op goedkeuring van de gemeente, om de armen en bijgevolg ook de fondsen aan te houden en niet over te geven en dus de gemeente op te roepen tegen aanstaanden woensdag van ’s morgens 9—11 uur, ten gevolge waarvan gedaan is de volgende

Proclamatie[3]:

Op een ingekomen schryven van het gemeentebestuur van Epe, wegens het al of niet onderhouden van de armen ten onzen laste en het overgeven der goederen waaruit dezelve worden onderhouden, is door den Kerkeraad zoo oude als nieuwe, alsmede door de leden der Kerkelyke Commissie goedgevonden met eenparigheid van stemmen, de armen op den gewonen voet te onderhouden.

Indien iemand der gemeente hiertegen iets mocht hebben in te brengen, zoo wordt dezelve verzocht, aanstaande Woens­dagmorgen van 9—11 uur ter inlevering van zyne bezwaren zich in dit Godshuis te vervoegen, ten einde dezelve aan ge­committeerden van den Kerkeraad, die daartoe zitting zullen houden, voor te dragen.

Niemand verschenen zynde om zich tegen deze van den predikstoel gedane proclamatie te verzetten, zoo heeft men in het bovengenoemde Kerkeraadsbesluit berust, en daarop een brief gezonden aan het gemeentebestuur van Epe, waarin de Kerkeraad de boven beschreven feiten aanhaalt, en dus de diaconiegoederen aan zich wenscht te houden[4].

 

Huwelijkswetgeving

In den tijd van ds. Mijnssen is ook de huwelijkswetgeving gewijzigd, daar het huwelijk niet langer mocht beschouwd worden in godsdienstig licht, en zoo werd het huwelijk een burgerlijk contract, verlegd van de Kerk naar den Staat. Met het oog op de vele gezindheden was het dan ook ad­ministratief wel juist, de inschrijving te doen plaats hebben voor de burgerlijke overheid. Het gevolg was echter, dat velen van de kerkelijke inzegening afkeerig werden. Zoo staat er sedert 1798 niet meer in het trouwboek bij geschreven dat de drie gebruikelijke afkondigingen hebben plaats gehad, en het is eigenaardig dat wij van het jaar 1797 en van 1804—1817 geen huwelijksaanteekeningen bezitten. Er zullen ongetwijfeld nog wel kerkelijke huwelijken gesloten zijn, hetgeen tot 1896 des zondags geschiedde in het midden der gemeente.

 

Armenzorg

Uit dezen tijd is voorts nog bekend een kwestie van onder­steuning, die de gemoederen in beweging bracht, daar de gewoonte bestond om geen andere armen te bedeelen dan die ter plaatse geboren waren. Dit leverde overal in de 19e eeuw vele bezwaren op, waardoor de wet in het leven ge­roepen is, dat bij verhuizing alle verband met vorige gemeenten is opgeheven.

 

Overige gebeurtenissen

Des dominees rechterhand, nl. de koster-schoolmeester. Peter Eekmars, kwam den derden januari 1799 te sterven. Zijn opvolger werd Hendrik Eekmars, maar niet in alle posten tegelijk.

Voorts overleed in 1798 Jan de Goeyen, Kerkmeester, en in 1800 Jan Hendrik van Isendoorn à Blois, alsook Derk de Graaf.



[1] In dezen tijd moesten de Kerkeraden het eigendoms­recht der goederen bewijzen, bij gebreke waarvan deze ver­klaard werden tot Staatseigendom. Er zijn Kerkeraden ge­weest die 1798 en 1799 elke week hebben vergaderd.
[2] De provinciale bestuursindeeling was gewijzigd.
[3] ’s Zondags te voren van den kansel af voorgelezen.
[4] De gezamenlijke collecten bedroegen in 1799 de be­langrijke som van ƒ466.— en 2 st.