Meer over Samuel ab Hooghland jr

Den 7den augustus 1742 begaf hij zich in het huwelijk met een “deugdrijke en godvruchtige Jufvrouw”, Christina Scharnink[1], dochter van den Ontvanger te Hattem. Met deze huisvrouw heeft hij een gelukkig en liefderijk Huwelijksleven gehad gedurende ruim 31 jaren, waarna zij hem tot zijn innige smart door den dood ontviel op 8 november 1773[2]. Bij allen die haar gekend hebben is hare nagedachtenis tot zegening.

Uit dit huwelijk werden negen kinderen geboren, als volgt:
1743, 19 mei Johanna Henrika[3];
1745, 30 januari Samuel (vroeg gestorven);
1746, 23 oktober. Gerrhard Nicolaes (vroeg gestorven);
1748, 15 september Antonia Anna[4] ;
1751, 17 januari Bernardina Aleida[5];
1753, 11 maart Everarda Geertruy[6];
1755, 2 Febr. Samuel[7];
1757, 20 Febr. Gerhardus Nicolaus[8];
1765, 10 Nov. Johannes Henrikus[9].

Laatstgenoemde was zijn Benjamin, dien hij niet verder gezien heeft dan studeerende te Harderwijk, maar die echter na zijns vaders dood tot het dienstwerk is ingegaan.

Zulk een gezegend huwelijk gehad te hebben merkte Zijn Eerwaarde, die ook met tijdelijke goederen gezegend was, te zamen als bijzondere weldaden aan, en hij legde er zich op toe het beste voor zijn kinderen te zoeken, doch voornamelijk om ze in nederigheid en godzaligheid op te voeden. Hij had het genoegen een godvruchtige vrouw te hebben, die in haar leven hem in zulk een goede en godsdienstige opvoeding der kinderen mede hielp, en die zich hun tot een voorbeeld stelde, en dat niet alleer, maar ook voor de gemeente, en daaren­boven mocht hij zich verblijden dat die weg ter zaligheid door vele zijner kinderen gekend en bewandeld werd. Zulke wel­daden strekten hem ook veeltijds tot versterking en bemoedi­ging in zijn dienstwerk. Hierin was hij door Gods genade gedurende den ganschen loop van zijn diensttijd ijverig en getrouw, terwijl het hem smartte, wanneer hij door ziekte verhinderd was den dienst waar te nemen. Ja, hij betoonde zich daarin zóó ijverig, dat hij, na reeds met een bijna geheele blindheid bezocht te zijn, zich niettemin naar den kansel liet leiden, en zijn dienst nog evenals te voren waarnam.

Hij was een groot Bijbeltolk, en daarbij een ernstig pre­diker, die ieder het bescheiden deel wist te geven, kon zich klaar en duidelijk uitdrukken, zoodat welgeoefenden en eenvoudigen hem konden volgen. Wel onderwezen en door veel ondervinding geleerd in kerkelijke zaken, was hij een vraag­baak en raadsman voor zijn jonge broeders, die altijd iemand in hem aantroffen, die gaarne uit zijn schat meedeelde, daar hij bij al zijn gaven een oprecht en nederig karakter had. Hij leefde tevreden en vergenoegd, begeerde geen andere stand­plaats ofschoon hij dikwijls in de gelegenheid is geweest om te veranderen; de Vaassenaars achtten hem hoog, droegen hem veel liefde toe, zoodat ook zijn dienstwerk gezegend was, en omgekeerd achtte hij de Vaassenaars dermate en was zijn hart zoo in liefde aan de gemeente verbonden, dat hij naar zijn eigen woorden voor geen groote stad zou zijn opgestaan om Vaassen te verlaten.

Aldus heeft hij zijn post als Leeraar alhier den tijd van ruim 45 jaren waargenomen. In het jaar 1780 werd hij door een sterke verduistering van zijn gezicht bezocht. Hij raadpleegde de Hoogleeraren in de geneeskunde, en dezen waren van oordeel dat het cataracten[10] waren, die zulks veroorzaakten, en waarvan hij onder Gods zegen zou kunnen worden geholpen. Inderdaad vond de behandeling met succes plaats in juni 1781 te Zwolle, door Dr. Stolten. Nu nam hij weder na een tijd verlof den predikdienst waar. Het was echter een korte vreugd, want zijn gezicht verduisterde van tijd tot tijd weer en bovendien kreeg hij te kampen met lichaams­zwakte, zoodat dit alles hem noodzaakte zijn emeritaat aan te vragen, hetwelk hem door de Heeren Staten van het Kwartier van Nederveluwe bij Resolutie van 10 december 1781 gunstig verleend werd, met vrijheid zelfs om de pastorie te mogen blijven bewonen[11], hetgeen voor hem een bijzondere gunst was omdat hij in dat huis, zonder geleid te worden, gaan kon. Den 20 januari 1782 verkreeg hij van den Kerkeraad eervol ontslag, met behoud van gedeeltelijke toelage der emolumenten.

Dit ontslag is in ons archief ingeschreven en luidt als volgt:

Acte van Dimissie[12] 2).

 

Genaade en Vreede.

 

Alsoo Domini S. ab Hoogland onsen geliefden en Getrouwen Herder en Leeraar aan ons, soo Ouderlingen en Diakenen, uitmakende de E. Kerkeraad van Vaassen, heeft te kennen gegeven, hoe Zijn Eerw. wegens ligchaams ongemakken, afneemende kragten en toeneemende jaaren en insonderheid om de verduistering van Syn gesigt sig niet in staat bevond het Predikampt na behooren waar te neemen;

 

Maar daardoor genootzaakt is om zyn Emeritisschap te be­vorderen, ten welke eynde hy zig na quartiers resolutie per request aan de Heeren Ampts Jonkeren des Ambts Epe en vervolgens aan de Ed. Moge Heeren gedeputeerde Staaten heeft geadresseert, en van Haar Ed. Moge gunstig appoinctement heeft bekoomen, soo hebben wy niet kunnen of willen afsyn[13], terwijl zyn zwakheid ons ten vollen bekend is, hoe ongaarne ook, daar wy van ganscher herten hadden gewenscht Zyn Eerw. nog Jaaren in onse gemeente als onsen geliefden Leeraar te moogen sien, op zyn begeerte te ontslaan, be­houdens alle Eer en waardigheid van een predikant hier aan verknogt, bedankende Zyn Eerw. voor syn getrouwe dienst, liefderyk en naukeurig opsigt, aan dese gemeente geduurende ruim vyf en veertig Jaaren betoond.

 

Voorts bidden wy den algenoegsamen God, dat die zyn Eerw, met zyn gunste, genade en Geest byblyve, en volge dat de ruste die zyn Eerw. intreet nog lange mag bestendig zyn, Jaa een voorbereiding van die salige ruste welke God voor alle syne getrouwe knegten in heerlykheid heeft weg­gelegd.

 

Amen.

 

Actum in onse Kerkenraads vergadering den 20 Januarius 1782.

 

Jan de Goeyen,   Ouderling.

Joost Terwel,            ,,

Peter van Gerrevink ,,

Derk Bomhoff, Diaken.

Lambert Rijks,    ,,

Jan Hendriks,     ,,

Aart Jonker,         ,,

 

Sterven

Gedurende den tijd van zijn emeritaat woonde hij de kerkdiensten, de kerkeraads- en classicale vergaderingen bij zooveel het hem mogelijk was, doch zijn krachten begonnen allengs af te nemen, bijzonder in den winter van 1785/86. In het laatst van april 1786 voelde hij zich geheel ongesteld en werd hij op het ziekbed geworpen, waarvan hij al spoedig bemerkte dat dit het middel zijner ontbinding zou zijn. Koortsen tastten hem sterk aan, doch onder dit alles behield hij een ongemeene tegenwoordigheid van geest, welke hem tot het einde bijbleef, gedurig bezig zijnde met de belangen van zijn onsterflijke ziel, waarover hij telkens met zijn op­volger ds. J.H. van Tiel en met zijn familieleden sprak. Dan betoonde hij gegronde hope te hebben van spoedig in de eeuwige rust te zullen ingaan.

Daags vóór zijn overlijden nam hij een teeder afscheid van zijn kinderen, gaf hun nuttige lessen en zeide dat hij hier niets meer te doen had. Zijn einde naderde en hij had lust om ontbonden te worden en bij Christus te zijn. Toen de koortsen hem sterker aantastten en de pijnen heviger werden bad hij om lijdzaamheid, gelijk hij tot hier toe in zijn lichaams smarten den Heere had mogen zwijgen. Men troostte hem, dat hij spoedig genieten zou het loon, aan getrouwe dienst­knechten toegezegd, waarop hij antwoordde:

“een loon, maar vrije genade; ik heb mijn post, ofschoon in veel gebrek, getrouw zoeken waar te nemen, Gode zij daarvoor alleen de eere; ik kome als een gansch ledige, niets hebbende, niets begeerende, dan alleen Jezus en Zijne borggerechtigheid, op welken alléén ik de eeuwigheid zal instappen en behouden worden”.

Hij ondervond ook dat het is strijden om in te gaan, maar werd ras bemoedigd en gaf blijken van zijn verwachting, toen hij voor ’t laatst riep: “Kom Heere Jezus, ja kom haastelijk”, waarna hij zacht ontsliep, en zoo naar zijn verlangen inging in de vreugde zijns Heeren op Dinsdag 9 mei (1786) in den ouderdom van bijna 74 jaren. Zaterdags daarop is het stoffelijk overschot plechtig ter aarde besteld, en Zondag 21 mei heeft zijn ambtgenoot Ds. Van Tiel in een bijzondere rouwdienst over Hebr. 13 vs. 7 de nagedach­tenis van den overledene gevierd[14]en de Gemeente opgewekt, aan hun ouden en nu zaligen Leeraar te gedenken, zich hem tot een Leidsman en voorbeeld te stellen, daar zijn stervende lippen, waarmee hij den weg des heils, dien hij anderen ver­kondigd had, als het ware nog spraken. Ook zijne dierbaren behoorden hier vlijtig acht op te geven om dien weg te be­wandelen, die hun tot de zaligheid leiden kon, en hope geven dat ook hun einde vrede zij, gelijk thans hun Voorganger de heerlijkheid was ingegaan door den grooten Leidsman der zaligheid Jezus Christus, om gezamentlijk den alleen wijzen God eeuwig te verheerlijken.”



[1] De Boekzaal heeft abusievelijk Schennenk.
[2] Be­graven den 15 Nov.
[3] In 1767 met att. uit Hattem; 6 Oct. 1777 naar Tiel, na gehuwd te zijn met Mr. Joh. Diderik van Leeuwen, adj.-secr. van Tiel in 1764, ontvanger der geregte middelen van het kwartier van Nijmegen over het kantoor Tiel 1765. Zij is 8 Juli 1795 overleden op „Teisterbant” bij Tiel.
[4] In 1770 van Zutfen; huwde 31 Oct. 1779 met Mr. Samuel Jacobus Wilbers, Advocaat en Leeraar aan de Lat. School te Harder­wijk, doch kwam reeds in 1782 als weduwe terug en vertrok in 1787 naar Zwolle.
[5] In 1770 lidmate; 4 sept. 1787 naar Zwolle.
[6] 1 apr. 1773 lidmate; gaat met haar broeder Samuel naar IJzendoorn tot diens dood in 1781; huwt 6 juli 1783 met Joost Herman van Erckelens, burgemeester van Harderwijk
[7] Dezen treffen we in januari 1776 aan als student (zie bl. 52 van het boekje van Christina van den Brink); hij ging als predikant omstreeks 1777 naar IJzendoorn, waar hij in 1781 reeds stierf.
[8] Lidmaat 18 september 1776; studeert te Harderwijk en vertrekt als advocaat naar O.-Indië.
[9] Is predikant geworden en stond in 1798 op tal te Vaassen.
[10] Troebeling der lens van het oog.
[11] Hierin besliste dus destijds de Overheid en niet de Kerkeraad. (Een kerkvoogdij is pas uit de 19e eeuw.)
[12] Ontslag.
[13] afzien, weigeren.
[14] Gedenkt Uwer voorgangers enz.