Ds. Samuel ab Hooghland Jr. (1736-1782)

In de Boekzaal van het jaar 1787, 1e halfjaar blz. 79-88 staat het levensbericht van Ds. Samuel ab Hooghland Jr., hetgeen wij hier in de tegenwoordige spelling overschrijven, en met nadere gegevens aanvullen.

Zijn Eerwaarde was gesproten uit de eerste en aanzienlijkste families in Nederland: Van vaderszijde stamde hij af van Haspin Heer Lievenszoon van Hoogland, doctor in de beide Rechten[1]; Raadsheer in den Ed. Hove van Holland, die om zijn kundigheid door Keizer Karel V bij de instelling van het Provinciaal Gerechtshof te Utrecht, tot eersten Raad en President van dit Hof in ’t jaar 1529 werd aangesteld, en in 1530 dezen post aanvaardde, welken hij gedurende acht jaren met den grootsten lof heeft bekleed, zoodat hij dit Hof heeft geholpen in de eerste jaren van zijn bestaan. In het jaar 1538 ging hij over naar het Hof van Holland te Den Haag, alwaar hij in 1547 stierf. Uit zijn huwelijk met Agatha van Nieuwerkerk zijn geboren Cornelis, Pensionaris van Dordrecht; Catharina, echtgenoote van Jonkheer Splinter Utenham, en later van Bouwen van Drenkwaard, Rentmeester Generaal van Zuid-Holland; voorts Jan van Hooghland, doctor in de beide Rechten, Kanunnik van St.-Mariënkerk te Utrecht, en Thesaurier daarvan, voorts ook Raad in het Hof van Utrecht, en Deken van St.-Marie, tot zijn dood in 1578. Dit was een man van studie en begunstiger van letterminnaars, een groot vriend en beschermer van Lambert Hortensius, een geleerde van dien tijd, veeltijds met den naam van Lutherschen Paap bestempeld, die in zijne geschriften met lof van hem melding maakt, en getuigt, dat het door diens toedoen was, dat hij zijn boek: “De uitwyking der Utrechtsche burgers en oor­logen vanaf 1524 tot aan de overdracht van het Episcopaat aan de Bourgondiers”, geschreven heeft, en in den tijd zijner vlucht door hem geherbergd is.

Aan den omgang met zulke lieden wordt toegeschreven, dat, terwijl het licht der Her­vorming opging, dezen tak van de Familie Van Hooghland ook de oogen geopend zijn, en hij uit het Pausdom uitgegaan is. De nakomelingen hebben zich niet slechts openlijk bij de Hervormden gevoegd, maar ook zich dermate tot dezen godsdienst aangetrokken gevoeld, dat ze zich daarin tot de Priesterlijke bedieningen begaven, en in de rechte lijn der afstamming het Evangelie van Christus in onderscheiden gemeenten predikten, waar de gedachtenis van hun naam tot zegening geweest is. Reeds lang hadden zij ter onderscheiding van degenen, die in ’t Roomsche geloof gebleven waren, en van dezulken die een gelijken naam voerden, evenals de ge­letterden van de familie, die in het Latijn boeken geschreven hadden, hun familienaam geschreven met het Latijnsche voor­zetsel ab. Het woord Hooghland is oorspronkelijk de naam van een oud en sedert langen tijd vervallen dorp en heerlijk­heid op Walcheren in Zeeland, en wordt in de oude latijnsche giftbrieven der Utrechtsche Kerk “alta terra”, d.i. “hoog land” genoemd. De Heeren noemden zich deswege Hoogland. Zoo komt het, dat de familie zich noemde ab Hooghland.

Onze predikant dan, om deze dingen verder te laten rusten, was geboren te Vaassen, den 14 Juli 1712, zoon van Samuel ab Hooghland en Antonia van Beaumont. Laatstgenoemde was afkomstig van een niet minder aanzienlijke familie, welke sedert eeuwen de eerste en aanzienlijkste ambten in Holland bekleed heeft en alsnog bekleedt.

Ofschoon nu ds. S. ab Hooghland Jr. uit zoo’n aan­zienlijke familie gesproten was en dit altijd erkende als een goedertierenheid des Heeren, achtte hij het altijd nog grooter voorrecht van priesterlijke afkomst te zijn. Al vroeg open­baarde zich de lust, om de voetstappen zijner voorouders te volgen. Derhalve zond zijn vader hem naar de Latijnsche School te Deventer en vervolgens naar de Hoogeschool te Harderwijk, waar hij vier jaren het onderwijs genoot van de beroemde professoren P. Ens, in de Oostersche talen, van J. Struchmeyer in de Geschiedenis, van C. van Houten in de Wijsbegeerte, en van B.S. Cremer in de Godgeleerdheid. Vervolgens ging hij om zijn studiën te voltooien naar de bloeiende Hoogeschool te Utrecht, om aldaar nog twee jaren te studeeren onder de professoren J. van den Honert en H. van Alphen, van wien hij de eer had een lieveling en echt leerling te zijn. Met ongewone vlijt heeft hij zijn academische studiën voltooid en ontving door zijne vorderingen de aller-loffelijkste getuigschriften. Den 5den September 1735 werd hij door de Classis Amsterdam bij monde van Ds. P. Haring preparatoir geexamineerd en met algemeene stemmen tot proponent bevorderd. Den 13den september 1736 werd hij te Vaassen beroepen als hulp van zijn vader, die op zijn 63-jarigen leeftijd door lichaamszwakheid verhinderd was zijn volle dienstwerk waar te nemen.

 


[1] Rom. en Vaderl. recht. 62