Kerkhistorie begin negentiende eeuw

Onderwijs wordt door overheid verzorgd

Het eerste jaar liep rustig voorbij. Wat de kerkelijke zaken betreft liet de Schout van Epe bekend maken, dat de diaconie-rekening voortaan zou afgehoord worden door den regeerenden Drost en Schout en den Predikant ten overstaan der geheele gemeente.

Het volgend jaar, 1806 bracht wijziging in de wet op het lager onderwijs, dat uit handen der kerk werd genomen, hoewel de School een “School met den Bijbel” bleef.

 

Gebeurtenissen in de gemeente

Maar er geschiedde in dat jaar iets zeer onrustbarends met den jongen ongehuwden predikant, die onder verdenking kwam te liggen, waardoor hij van 1806 tot 1808 is geschorst geweest, welke schorsing is opgeheven, doordat hij ondanks zware beschuldiging, zijn onschuld plechtig staande hield.

Na deze onverkwikkelijke zaak heeft ds. van Niel zich steeds een voorbeeldig predikant betoond, hetgeen ons wel nader zal blijken.

Uit 1813 hebben wij een mededeeling dat hier als school-onderwijzer fungeert Hendrik Eekmars (zoon van Joh. Eek­mars en overleden 2 nov. 1857), terwijl de Kerkeraad op 9 mei verklaart dat hij ook koster en voorzanger is. Dit stuk is door de toenmalige Fransche regeering gewaarmerkt en geteekend door den Maire[1] D. Isendoorn à Blois. Mogelijk is dit een aanstelling, of anders slechts een verklaring met het oog op zijn tractement. Het stuk is ook geteekend door den Kerkeraad, die bestond uit predikant, vier ouderlingen en vier diakenen.

In 1815 kwam er beroering in den Kerkeraad, en werd een diaken wegens wangedrag uit zijn ambt ontzet.

 

Doopgewoontes

Voordat wij dit hoofdstuk besluiten, moeten wij nog iets mededeelen over het doopen en de naamgeving.

Onze doopregisters beginnen met 1643, in welk jaar een kerkeraad werd ingesteld. Zij bevatten de namen en doopdata der kinderen, en tot 1708 alleen den naam van den vader. Na dien tijd wordt ook de moedersnaam vermeld, alsmede sinds 1771 de doopgetuige. Men doopte oudtijds direct na de geboorte, soms op denzelfden dag. Zoo was er dus iederen zondag tot doopen gelegenheid, maar door godsdienstige verslapping lieten velen de doopsbediening langer dan ge­woonlijk wachten, en zoo verdwijnen sedert 1824 ook de getuigen, daar de moeder mede ten doop verschijnt. Later werd dit nog erger, en zoo zijn er tegenwoordig leden die maanden en maanden wachten. Het vroege doopen moge historisch van Rome afkomstig zijn door de leer dat de doop de erfzonde afwascht, het zij zoo, maar het bevel des Konings moet zoo spoedig mogelijk worden opgevolgd, behelzende een Verbondsbelofte.

 

Naamgeving

Bij den doop treft ons de naam van het kind, te weten in sommige gevallen de achternaam. Voor 1811 had menigeen nog geen familienaam. Men heette naar zijn vader: Jan Willemsz.; of naar zijn boerderij: Adelerhof; of naar de buurt waar men woonde: Van de Vlekkert, of op de Vlekkert. Maar toen in 1811 het bevolkingsregister werd ingevoerd, moest ieder een naam aannemen. De toen aangenomen naam bleef de familienaam. Vóór dien tijd was men vrij, behalve voor onechte kinderen, op wier naamgeving een wetje werd uit­gevaardigd te Arnhem 17 october 1771 met latere uitbreiding.

Zoo treffen ons de volgende voorbeelden:

1798, den 18 Maart gedoopt een zoon van Jan Janssen en Teuntjen Hendriks, Echtelieden, geboren den 16 dezer genaamd Hendrik Stegeman.

1803, den 17 april gedoopt een zoon van Jan Boks en Derkjen Muller, Echtelieden, gebooren 12 dezer, genaamd Peter Eekmars.

Men wil, dat de naam Van ’t Einde ontstaan is doordat deze woonde aan ’t einde van de Westrik (Wester Eng), terwijl zijn broeder zich Bouwman noemde.

 

Orde op zaken in de kerk

In 1816 geschiedde er iets zeer bijzonders, dat echter aan de eenvoudigen voorbijging. Heel de Kerk had namelijk in ons district, alsmede in Holland en Utrecht geleefd onder de Dordtsche Kerkorde. Daar er echter in den tijd der Fransche Omwenteling en in den tijd van Napoleon veel tot financieele, zedelijke en geestelijke schade was geschied, docht het Koning Willem I goed, op de kerkelijke zaken orde te stellen.

Hoewel het den schijn had, dat er weinig of niets veranderde, is deze ongevraagde verandering van kerkinrichting tot heden een bron van twist en ergernis geweest, omdat aan de wettige organen der kerk hun kracht en werking is ont­nomen, waardoor de kerk kwam te staan onder vaste be­sturen, die bijna louter administratieve colleges zijn.

De zelfstandigheid der plaatselijke kerk verdween, daar zij een onderdeel werd van het geheel. Ook werd de naam: “Gereformeerde kerk” gewijzigd in “Nederduitsch Hervormde Gemeente”.

Onder de nieuwe organisatie mocht men zonder wettige redenen niet het ouderling- of diakenschap neerleggen, op straffe van boete. Zoo werd het ontslagnemen van Hendrik Heering koninklijk goedgekeurd. Van de oorspronkelijke afgekomen reglementen is geen exemplaar bewaard gebleven.

 

Orgelbouw

In het jaar 1820 was er wat groots en goeds ophanden. Men beraamde nl. plannen om een orgel in de kerk te bouwen. De origineele inteekenlijst is bewaard gebleven en in het boek der gedachtenissen overgeschreven. De geheele som bedraagt ƒ2723.— en 5 stuivers. De begrooting beliep ƒ2843.—, terwijl de kosten ƒ2765.— hebben bedragen. Over de in­wijding was geen bericht te ontdekken. Op 25 februari 1821 werd de eerste organist, Cornelis Oosterwijk, benoemd, die zich moest verbinden zich goed voor te bereiden en ten minste zes jaren dezen dienst te vervullen.

 

Over de gemeente

De Hervormde gemeente telde toen 964 zielen, in 1823 iets minder, nl. 895, waarvan 342 lidmaat waren. Dan volgt gestadige groei: Zoo b.v. in 1835 totaal 1099, waaronder 428 lidmaten.

Ds. Van Niel hield tweeërlei catechisatie:

  1. voor hen die lezen,
  2. voor hen die niet lezen konden.

Op de vraag van het Classicaal Bestuur wat er des zomers tijdens het stilstaan der catechisatie geschiedde, antwoordde de predi­kant, dat er dan in de kerk een afdeeling van den Catechismus behandeld werd, volgens te voren afgekondigde vragen of schetsen.

 

Begraven

Ten opzichte van het kerkhof en begrafenissen bracht het jaar 1829 groote veranderingen teweeg.

De nieuwe wet bepaalde dat de begraving der dooden niet langer moest beschouwd worden als een “kerkelijke plechtig­heid”, doch als een “burgerlijke aangelegenheid”. Zoo werd het kerkhof op het dorp, om de kerk liggende, gesloten, en het nieuwe, aan den Ouden Apeldoornschen weg gelegen, geopend. Later is  de ingang verlegd naar den Nieuwen Apeldoornse. weg.

Er bestaat een foto naar een schilderij van een begrafenis te Vaassen uit de 18e eeuw.

 

Een bijzondere school

Ten slotte nog iets over het Haackshuis en ds. Van Niel als opvoeder.

In 1735 komen hier uit Zutfen en trouwen hier in de kerk Frans Jan Haeck[1] en Catriena Elisabet Bakker. De heer Haack was gemeente-ontvanger. Zijn familie is in het begin der 19e eeuw uitgestorven, gelijk uit het begraafboek blijkt. Het huis diende als vergaderplaats bij voorname ge­legenheden, aangezien er te Epe geen geschikt huis was[2]. Toen dan in 1809 de oude mevrouw op 92-jarigen leeftijd overleden was, heeft ds. Van Niel een kwart-eeuw dat huis in gebruik gehad benevens de pastorie[3]. Hij kon dit ge­bruiken voor zijn vele kweekelingen, die hij hier had, en waardoor hij zich een vermaarden naam als opvoeder der jeugd verwierf. Gelijk uit het lidmatenboek te bewijzen valt, waren het jongelieden uit den deftigsten stand, die in vrijen tijd de sport van paardrijden beoefenden, vanwaar de naam Manege ontstaan is, een stuk grond bij de IJzerfabriek. Zoo treffen wij hier dan aan: van Heeckeren tot Keil, Tuyll van Serooskerken, van der Duyn, Charles Pelgrom d’Ardesch, Elout, de Bordes, Johannes Hermannus Gunning, van Boetzelaer, Boddaert, Quarles de Quarles enz[4]. Zijn op­voedingsinstituut behoorde met zijn overlijden tot het ver­leden. Het bericht dienaangaande luidt als volgt[5]:

 


[1] R.-K. Archief Aartsbisdom Utr. deel 28, bl. 281 maakt melding van Wernerus Haeck, priester-vicaris in Doesburg 1461.
[2] Gelre XIV bl. 141.
[3] Kadastraal bekend onder No. 39.
[4] Na ds. Van Niel is het Haackshuis in handen gekomen van den Heer van Lohuizen, die er met 8 man een ijzer­gieterij is begonnen.
[5] Boekzaal 1837 bl. 232.
[6] 1934

 


[1] Burgemeester