Ds. Jeremias Siblesz. (1837-1847)

Reeds spoedig na den dood van ds. van Niel kwam de Kerkeraad voor beroepingswerk bijeen, en wel 8 februari 1837. Onder leiding van Ds. A. Visch van Epe werd een twaalftal opgemaakt, waaronder ook voorkomen de namen der destijds orthodoxe predikanten van Epe en Terwolde. De keuze viel op Ds. J. Siblesz van Heino. Op 19 februari nam hij dit beroep aan en werd den 9 april door ds. A. Visch van Epe bevestigd met de woorden uit Mattheüs 23 vers 10: “Eén is Uw Meester nl. Christus”. De bevestigde deed zijn intrede met den text uit Marcus 16 vers 15: “Predikt het evangelie aan alle schepselen”.

Jeremias Siblesz was geboren te Amsterdam, 22 januari 1805, zoon van Tjeerd Siblesz en Petronella Meyjes. In de gedrukte genealogie van het geslacht Posthumus Meyjes vindt men allerlei bijzonderheden. Van 1822 tot 1825 be­zocht hij het Athenaeum te Amsterdam en werd voorts te Utrecht en te Leiden als student ingeschreven. In 1828 werd hij kandidaat bij het Provinciaal Kerkbestuur van Noord-Holland, en 22 februari 1829 predikant te Heino. In dat jaar huwde hij met Cornelia Sara Waller[1], uit welk huwelijk te Vaassen vijf kinderen werden geboren:
1837, 21 mei Anna Elizabeth;
1839, 25 april Tjeerd;
1840, 25 december Jan;
1842, 21 juni Johannes;
1845 30 juni, Jeremias.
Voorts is nog een zoon W. Siblesz bekend.

 

Uit de notulen van kerkeraadsvergaderingen

Uit de notulen van de Kerkeraadsvergaderingen blijkt dat een derde van de Notabelen jaarlijks aftreedt en niet terstond herkiesbaar is. De Kerkeraad stelt de kandidaten, welke kandidatuur ter goedkeuring wordt opgezonden naar het Provinciaal College van Toezicht.

Ook is er Classicale en niet zooals thans Provinciale Kerkvisitatie.

Voor de Kerkeraads­vergaderingen is er een boetestelsel.

Ook dringt de predikant op betere diaconie-boekhouding aan. Wegens den slechten stand van het fonds stelt hij voor, eerst een begrooting te maken, alvorens tot bedeeling over te gaan. Dit valt niet in goede aarde, en de Diakenen verdenken den predikant van wantrouwen, terwijl deze de belangen van de diaconie meende voor te staan. Toen er in 1847 een nadeelig saldo was van ƒ349.—, zijn er effecten verkocht om het tekort te dekken. Voorts werd er toen een pachtersvergadering belegd om de pachten te verhoogen.

Een voorstel van den predikant, dat de Kerkeraadsleden vier jaren zitting zouden nemen, vond eerst bij Diakenen bijval, doch werd later weer ingetrokken. Ook werd in 1847 het stuk van uitkoop in de kerkelijke bediening voorgelezen, daar men zoo maar niet zijn ambt mocht neerleggen. L. Mulder deed het toch en werd met ƒ25.— beboet. Later is dit alles vervallen, daar de regeering in 1852 de Kerk losliet. Kerk en Diaconie hadden nog zeer vele rechten op uit­gangen, en vervolgens lezen wij van bankzaad voor zitplaatsen in de kerk, verschijnende elk jaar maart. Zoo moest Jan Westerbroek jaarlijks 33 kop boekweit leveren uit het Erve de Ganzenebbe. In 1839 brachten de zitplaatsen in de kerk op aan stoelen ƒ101.60 en banken ƒ97.25.

 

Koster-onderwijzer Tieman

In 1838 werd Jan Tieman aangesteld als koster-voor­zanger-schoolmeester op voorwaarde dat hij afzag van de voordeeltjes, welke voortvloeiden uit het ophalen van Paasch-eieren. Hij was hier 16 december 1832 ingekomen uit Arnhem, als hulponderwijzer bij H. Eekmars en is heengegaan als onderwijzer 1887, als koster 1888. Hij liet eenige jongens vijf minuten voor twaalf de school uitgaan om de klok te luiden, die wel eens de baldadigheid hadden om aan de brandklok te trekken. Het spreekt vanzelf, dat ze dan ’s middags getracteerd werden! Als deel van zijn tractement behoorden de kostersgarven, die vrijwillig opgebracht, gedorscht werden door Kamphuis van de Poel.

 

Afscheid

In 1847 den 3 october heeft ds. Siblesz voor een talrijke schare afscheid gepreekt[2] naar aanleiding van 1 Petrus 1 vers 24 en 25. Hij was te Vaassen de eerste die naar een andere plaats vertrok. De gemeente van Steenwijk had hem beroepen, alwaar hij stond tot 1861. In 1854 herdacht hij zijn zilveren ambtsjubileum en gaf een preek uit over Handelingen 26 vers 22, 23. Hij overleed 16 februari 1869. Hij was een zeer waardig Evangeliedienaar, die met ijver en trouw arbeidde en nog lang in de harten van zijn gemeenteleden voortleefde.

 


[1] Vorsterman van Oyens Stam- en wapenboek III 322.
[2] Boekzaal 1847, bl. 485.