Ds. Jacob Gerard Verhoeff (1862-1865)

Binnen veertien dagen na het vertrek van Ds. Nonhebel was er al, weer een beroep uitgebracht, en wel op 10 april, terwijl de beroepene, ds. J.G. Verhoeff van Zevenbergen, zijn komst den 26sten dier maand meldde.

Hij werd op 6 juli 1862 bevestigd door zijn broeder J.C. Verhoeff van Utrecht, die sprak naar aanleiding van 2 Timotheus 1 vers 8a: “Schaam u dan niet der getuigenis onzes Heeren”. Des namiddags deed de bevestigde intree met de woorden uit Hebreeën 2 vers 2 en 3a: “Want indien het woord door de engelen gesproken vast is geweest, en alle overtreding en ongehoorzaamheid rechtvaardige vergelding ontvangen heeft, hoe zullen wij ontvlieden, indien wij op zoo groote zaligheid geen acht nemen?”

Ds. J.G. Verhoeff was geboren te Utrecht, 11 Mei 1823, was op wat later leeftijd dan gewoonlijk, student, nl. 1848; in 1852 werd hij kandidaat bij het Provinciaal Kerkbestuur van Gelderland, en verbond zich 13 januari 1853 aan Elspeet, zijn eerste gemeente. In 1856 ging hij naar Nieuw-Loosdrecht, in 1859 naar Zevenbergen[1], van waar hij in 1862 naar Vaassen kwam.

Hij was gehuwd met Petronella Hendrika Gobius du Sart.

 

Enkele gegevens over de gemeente

Tijdens zijn verblijf alhier heeft de Kerkeraad voor het laatst de notabelen benoemd. De Kerkvoogdij blijkt te bestaan uit 5 kerkvoogden en 6 notabelen.

In 1862 wordt de diaconie­rekening gedaan voor het eerst over een vol jaar tegelijk.

In 1863 dienen 30 lidmaten een protest in tegen de benoeming van een ouderling en diaken.

In dezen tijd kost het opvragen van een attestatie ƒ0.60.

Mej. Johanna Eekmars vereert de diaconie met ƒ500.—.

Wie zich van de Hervormde Kerk afscheiden wil, mag dit niet anders dan schriftelijk doen.

In dezen tijd is Epe vrijzinnig geworden. Ziedaar een korte samenvatting van het kerknieuws.

 

Meer informatie over de persoon

Wat zijn leven en werken betreft schrijft Dr. J.P. de Bie aan mij als volgt:

Ds. Verhoeff stond onder de strijders voor de Belijdenis der Ned. Hervormde of Gereformeerde kerk “in milden zin opgevat” vele jaren lang vooraan. Hij behoorde tot degenen die vooral bevreesd waren voor een te enge opvatting van de gereformeerde beginselen, waarbij de algemeene aanbieding des heils schade zou lijden. Hij wees herhaaldelijk op de ge­varen van zulk een opvatting voor prediking en praktijk en had als zoodanig onder ons zijn eigenaardige plaats en roeping. Wij zijn hartelijk dankbaar voor wat God ons gaf in dezen broeder, die met zoo jeugdig vuur nog getuigenis aflegt in “Troffel en Zwaard” 1909.

 

Dr. Schokking van Dordrecht schreef:

Allen die het voor­recht hebben gehad hem te kennen, weten, dat zijn leven naar mate het langer werd gespaard, een steeds meer bewust voorttrekken was naar het hemelsch Jeruzalem. Daarin ligt de verklaring, dat zijn geest, die tot het einde toe frisch mocht blijven, behoefte had bezig te zijn in de dingen van Gods Koninkrijk, en daarvan door middel van zijn pen, voortdurend te getuigen. In de vergadering van de Confessionele Vereeniging kon hij (in het laatst zijns levens) moeilijk meer komen. Maar er was nog steeds te rekenen op zijn woord, zijn raad, zijn vriendelijke bemoediging, ook in de moeilijk­heden van het kerkelijk leven, dat hem zeer ter harte ging. Dat ging — waarom zou het ook niet — bij hem gepaard met een zeer groote liefde tot allen die den Heere Jezus in onverderflijkheid liefhadden.

Dit is het getuigenis uit 1909.

 

Hij heeft Vaassen den 26 februari 1865 verlaten met een rede naar aanleiding van 1 Petrus 1 vers 25: “Maar het woord des Heeren blijft in der eeuwigheid; en dit is het woord dat onder u verkondigd is”. Hij vertrok naar Ridderkerk, waar hij stond tot 1867; Wissekerke 1871; Maassluis 1874; Heeg 1877; Bodegraven 1879. In 1905 werd hij emeritus en over­leed in laatstgenoemde plaats 18 mei 1909.

De lijst van zijn boeken en geschriften, waaronder vele predikaties, pleidooien voor de Christelijke School, van zijn hand verschenen, is nog grooter dan die van Ds. Nonhebel. Wat nog te achterhalen was, is voor het archief alhier aange­schaft.

 


[1] In 1860 herdacht hij aldaar het 250-jarig bestaan der gem. en bedankt hij ook voor een predikantsplaats in Zuid-Afrika. In 1861 herdacht hij het 300-jarig bestaan der Nederlandse Geloofsbelijdenis.