Gabe van der Zee (1931-1936)

Ds. Gabe van der Zee

Na het vertrek van Ds. Pop wordt direct een aanvang gemaakt met het beroepingswerk en op 16 september 1930 wordt beroepen Ds. Laus van Suawoude, helaas zonder gevolg. Na nog een viertal vergeefse pogingen, wordt in de vacature voorzien door de komst van ds. G. van der Zee.

Ds. G. van der Zee werd geboren in 1893. In 1924 werd Hagestein zijn eerste gemeente, daarna den Bommel in 1926 en Wapenveld in 1929.

Door de consulent ds. J.J. van der Pol werd ds. Van der Zee op 2 augustus 1931 alhier bevestigd met een predikatie uit 2 Timotius 4 vers 2.

Bij zijn intrede preekte ds. Van der Zee over Psalm 85, vers 8, “O, Here, toon ons Uw goedertierenheid en schenk ons Uw heil”.

Al spoedig beginnen voor de nieuwe predikant de moeilijkheden. Zaken als het ontwerpreglement voor het kiescollege, zijn mede oorzaak van veel kerkelijke strijd  en worden zelfs in hoogste instantie door de Algemene Synodale Commissie behandeld.

In 1932 vraagt voorlezer Jan van Vemde, die zijn ambt al sinds 1898 vervult, zijn ontslag. Doordat de predikant zich beschikbaar stelt om in het vervolt het voorlezerswerk te verrichten behoeft er geen nieuwe functionaris aangesteld te worden en is hiermee deze functie historie geworden.

In 1934 worden de plannen voor een nieuwe consistorie gerealiseerd. Sedert de kerkbouw van 1852 was de ruimte onder de toren hiervoor gebruikt, doch deze ruimte heeft eigenlijk nooit voldaan.

In hun vergadering van 19 juni neemt de kerkeraad dan ook met belangstelling kennis van het bouwplan en op 7 november 1934 kan de nieuwe consistoriekamer al in gebruik worden genomen.

De restauratie van het kerkeraadsarchief is het werk van ds. Van der Zee geweest. De kerkgeschiedenis heeft steeds zijn bijzondere belangstelling gehad, getuige zijn talrijke publicaties op dit gebied. Uiteraard is zijn “Kerkgeschiedenis van Vaassen” bij ons het meest bekend.

Op 8 september 1936 neemt ds. G. van der Zee het op hem uitgebrachte beroep naar Ridderkerk aan, en op 8 november 1936 houdt hij zijn afscheidspredikatie naar aanleiding van Jozua 1 vers 5b.