Bijlage 8: verklarende woordenlijst

Balg                                   
Windpompinrichting en/of windreservoir van het orgel, vroeger gemaakt van hout en leder in de vorm van de oude smidsbalg en voorts geperfectioneerd in keilbalg, magazijnbalg met horizontaal opkomend bovenblad

Bas                                    
De onderste helft van het klavier, doorgaans met de linkerhand te bespelen.

Blokwerklade
Tooncancellade zonder slepen. Door het neerdrukken van een toets krijgt de wind toegang tot de tooncancel, waardoor alle op deze cancel staande pijpen gaan spreken. Registreren was dus niet mogelijk.

Boventoetsen                  
De toetsen voor de afgeleide (semi)tonen cis, es, fis, as, etc.. Op een pianoklavier doorgaans de zwarte toetsen.

Bovenwerk                      
Gedeelte van het orgel dat zich boven in de orgelkast bevindt.

Cancellen                         
Langwerpig vak of koker in de windlade, waarop of alle pijpen staan die tot een toets behoren (tooncancel), of alle pijpen die tot een register behoren (registercancel)

Contratonen                     
Tonen die lager zijn dan (tegenwoordig) gebruikelijk is op een orgel.

Discant                             
De bovenste helft van het klavier, die doorgaans met de rechterhand wordt bespeeld.

Dispositie                        
Opsomming van de registers van een orgel

Doxaal                              
Vrijstaande onderbouw waarop het orgel geplaatst is.

Front                                 
Het vooraanzicht van een orgelkas, dikwijls rijk versierd.

Gedeeld                            
Het register is verdeeld in bas en discant (b/d).

Gedekt                              
De pijpen zijn van een deksel voorzien, waardoor ze een oktaaf lager klinken dan een even lange open pijp.

Groot-orgel                      
zie Hoofdwerk

Hanger
Een ventiel dat blijft openstaan nadat de toets is losgelaten. Oorzaak: klemmen van de mechaniek. Ook: de ophangbeugel van een orgelpijp.

Hoofdwerk                      
Het gedeelte van het orgel dat de belangrijkste registers bevat.

Intoneren                         
Een bewerking aan de orgelpijp bij opsnede, pijpvoet, tong, kernspleet of schalbeker, waardoor de pijp het gewenste klankkarakter krijgt.

Kegel
Kegelvormig gedraaid stukje hout, aan de kegelzijde beleerd; dient bij de kegellade tot afsluiting tussen cancel en pijpgat.

Kegellade
Windlade, waarbij de toevoer van de wind vanuit de cancel naar de pijp geschiedt door middel van het oplichten van een kegel. Het oplichten van de kegel vindt plaats d.m.v. een membraan, of langs mechanische weg. Wordt vrijwel niet meer gebouwd.

Keilbalg
Tot in het midden van de vorige eeuw de meest gebruikte balg in de Nederlandse kerkorgels. De combinatie van enige van deze balgen (ook spaanbalgen genoemd) leverde, mits goed getreden, het orgel de wind op zo’n wijze, dat er geen starre doch een levendige toon ontstond. De laatste jaren (ca. 1976) maakt deze balg zijn rentree.

Klavier                              
Toetsenbord dat met handen of voeten wordt bediend.

Koppel                              
Mechanisme dat het mogelijk maakt meerdere klavieren tegelijkertijd door één klavier te bedienen.

Manuaal                           
Toetsenbord dat met de handen wordt bediend.

Membraan                       
Leren zakje, dat onder druk van de orgelwind de kegel optilt.

Mensuur                           
De verhouding tussen lengte en wijdte van de pijp. Deze bepaalt in hoge mate de klankkleur. Een wijde pijp geeft de grondtoon meer kans, terwijl een enge pijp de boventonen benadrukt.

Onderpositief                  
Windlade met pijpwerk en mechaniek, geregeerd door een eigen klavier. Het bevindt zich bij balustrade-orgels en tweeklaviers positieven onder de hoofdwerklade.

Ondertoetsen                  
De toetsen voor de stamtonen c, d, e, etc. van een toetsenbord. Op het pianoklavier doorgaans de witte toetsen.

Orgelkas                           
De meestal uit hout bestaande behuizing, waarin het orgel is ingebouwd.

Oxaal                                 
Onderbouw waarop het orgel geplaatst is en dat zich tegen een muur bevindt.

Pedaal                               
Gedeelte van het orgel dat via het pedaal-klavier (dus met de voeten) bespeeld wordt. Er zijn twee soorten pedaal:

  • Zelfstandig pedaal – Dit is een pedaal met eigen stemmen.
  • Aangehangen pedaal – een pedaal zonder eigen stemmen, dat door verbindingen, via abstracten en wellenbord, de gelijknamige toetsen van het manuaal neertrekt

Positief                             
Gedeelte van het orgel dat een nevenfunctie heeft – naast het Groot-orgel. Soms in de voet van de kas geplaatst.

Pulpeten                           
Leren zakjes waar de trekdraden naar de ventielen doorheen lopen. Hierdoor wordt onbedoeld windverlies voorkomen.

Pijp(en)stok
Dikke plank aan de bovenzijde van de windlade, die slepen en dammen afdekt en waarin de gaten zijn geboord voor plaatsing van de pijpvoeten.

Pijprooster
Houten rooster, op enige afstand boven de windlade gemonteerd, om het pijpwerk in verticale stand te houden.

Roergedekt                      
Bij deze pijpen zijn de deksels van een roer (metalen buisje) voorzien.

Register                            
Groep pijpen met dezelfde klank, die door middel van een knop in- en uitgeschakeld kan worden. Ook wel stem genoemd.

Rugwerk                           
Gedeelte van het orgel dat in een apart meubel voor de grote orgelkas is geplaatst en in de balustrade achter de rug van de organist is opgenomen.

Sleep                                 
Schuif met gaten, die passen tussen de gaten in de bovenkant van de cancellen en die in de pijpenstok

Sponsels
Houten stroken, die de boven- en/of onderkanten van de cancel afsluiten . Tegenwoordig ziet men veel vaker afsluiting van de bovenkanten door een plaat hechthout die onder gelijkmatige druk opgelijmd werd

Tongwerken                    
Orgelpijpen waarbij de toon wordt voortgebracht door een metalen strip (de tong) die in trilling gebracht wordt.

Tractuur                           
Mechaniek voor de bediening van een orgel. De tractuur betreft zowel het functioneren van de registers als van de toetsen. De tractuur brengt de toetsbeweging over naar de windlade.Tractuur wordt ook wel regeerwerk genoemd.

Tremulant                        
Mechanisme dat de wind laat fluctueren zodat de tonen gaan vibreren.

Ventielen                          
Kleppen in de kleppenkast. Wanneer een toets wordt ingedrukt laat het ventiel de wind door naar de tooncancel, waardoor de pijpen van de ingeschakelde registers gaan klinken.

Wel
Ronde metalen as of houten as met afgeplatte zijden, die in dokjes draait op het wellenbord en waaraan twee armpjes zijn bevestigd, een verbonden met de abstract van de toets en de ander met het speelventiel. Wordt ook “wals”
genoemd.

Wellenbord                     
Trekvrije plank waarop wellendokken gemonteerd zijn.

Wellendokken                
Klosjes waartussen wellen om hun lengteas kunnen draaien.

Werk                                 
Windlade met pijpwerk als een geheel beschouwd, geregeerd door een eigen klavier en op een karakteristieke plaats in het orgel opgesteld.

Windkanaal                     
Houten koker, waardoor de wind van de balgen naar de laden wordt gevoerd.

Windlade                         
Hart van het orgel; de inrichting waar de door de windkanalen aangevoerde wind over de pijpen verdeeld wordt.