De orgelpijpen

Rondom orgelpijpen bestaat een hoeveelheid termen die eerst moeten worden uitgelegd om de werking van de pijpen duidelijk te kunnen maken.

Elk register heeft achter de naam een code (bijvoorbeeld 16 vt of ook wel 16’) staan. Deze codes en de termen die daarmee corresponderen zullen nu kort worden verklaard.

Allereerst is uitleg van de letters van belang. Er komen twee lettercombinaties voor; vt en st. Deze lettercombinaties staan voor voet (vt) en sterk (st).

 

Dispositie van het orgel

De dispositie wordt opgedeeld in verschillende delen van het orgel:

Wanneer op de links wordt geklikt, dan wordt voor het betreffende gedeelte de verschillende stemmen getoond gedurende de geschiedenis van het orgel.

 

De code vt

De herkomst van voet (vt) behoeft niet zo veel uitleg. Het gaat hierbij om de lengtemaat (voet) die wordt gebruikt om aan te geven hoe lang de langste pijp in het register is. De lengte van de overige pijpen in het register is hiervan afgeleid. Een voet heeft een lengte van ongeveer 30 centimeter. Globaal gesproken varieert de voet tussen 28,5 en 32,5 centimeter. Dit komt tot uiting in de stemming van het orgel. Wanneer een pijp wat langer is, klinkt deze lager. Wanneer de pijp wat korter is, juist wat hoger. Eeuwenlang waren instrumenten anders gestemd dan nu. Zo was het dan ook niet erg dat door de enigszins afwijkende lengtematen in het begin van de 19e eeuw de orgels ook niet exact gelijke gestemd waren. Dat hoefde ook niet, want de meeste orgels speelden onderling niet samen. Bovendien speelden ze ook niet vaak met andere instrumenten samen. Wanneer dat wel gebeurde werd het andere instrument gestemd op het orgel.

Bij een 8 voet-register is het corpus (het deel boven de opening) van de grootste pijp van de toon C, 8 voet (ongeveer 2,5 meter) lang. De toon C die een octaaf hoger ligt heeft een corpus met een lengte van 4 voet, daar weer een octaaf hoger is de corpuslengte 2 voet en weer een octaaf hoger 1 voet. De overige tonen liggen hier tussenin. De opmerkende lezer ziet dat per octaaf de corpuslengte halveert. Tot zover de beschrijving van de tonen van één register.

De pijpen van de verschillende registers verschillen qua vorm en materiaal van elkaar. De vorm van de pijpen is bepalend voor de klank van het register. Zo zijn er verschillende registerfamilies te onderscheiden die elk een kenmerkende klank hebben. Deze registerfamilies zullen later in deze bijlage worden beschreven, met een opsomming van de registers die bij de betreffende families horen.

De registers kunnen verschillen in toonhoogte. Ook dit is te zien aan de corpuslengte van de pijp. Een 8 voet-register bijvoorbeeld de prestant) is voor de mens een goede toonhoogte, maar het orgel zou wat weinig gevarieerd klinken wanneer alleen 8 voet-registers waren gebruikt. Daarom heeft men ook registers van een andere toonhoogte toegevoegd. Zo klinkt een 16 voet-register (Bourdon) een octaaf lager dan de normale toon, terwijl een 4 voet-register (Octaaf) juist weer een octaaf hoger klinkt. Om registers te krijgen die telkens een octaaf hoger zijn kiest men voor 2 voet- (Woudfluit) of 1 voet-registers (Flageolet).

Schematisch ziet dat er dus als volgt uit:

 

Register

Corpuslengte in voeten

1 voet

1

0,5

0,25

0,125

2 voet

2

1

0,5

0,25

4 voet

4

2

1

0,5

8 voet

8

4

2

1

16 voet

16

8

4

2

C

 c

C’

C’’

(Telkens een octaaf hoger)

 

Wie er nu denkt te zijn komt bedrogen uit. Alhoewel door octaven toe te voegen het orgel grootser gaat klinken kan het nog mooier. Het grootse volle orgelgeluid ontstaat pas echt door boventoonregisters als tertsen en kwinten toe te voegen aan de normale tonen. Daarvoor zijn de registers met de respectievelijke aanduidingen 1 3/5 en 2 2/3 (ook vaak afgerond 3) voet. Wanneer dergelijke registers zijn ingeschakeld worden met het indrukken van een enkele toets niet alleen dezelfde tonen in verschillende octaven gespeeld, maar worden in de hogere octaven ook andere tonen toegevoegd. Deze kwinten en tertsen komen ook voor in de boventonen van de andere, lager klinkende, registers. Om hier wat meer duidelijkheid over te geven is wat meer kennis van de theorie van geluidsgolven nodig. De lengte van het corpus bepaalt de hoogte van het geluid.

Om 16 voet-registers in kleinere orgels mogelijk te maken kan men gebruik maken van een truc. Wanneer men een 8 voet-register van boven dichtmaakt, klinkt deze als een 16 voet-register. Het nadeel ervan is dat de klank van een dergelijk register door de constructie wordt gedempt. Een dergelijk register noemt men een gedekt register.

Om bepaalde boventonen in een register te versterken kan een roer worden geplaatst. In een gedekt register wordt in de bovenkant een klein pijpje geplaatst.

 

De code st

De herkomst sterk (st) is wat lastiger uit te leggen. Het gaat daarbij om een register (sesqualter, cymbel en cornet) dat niet slechts uit één set pijpen is opgebouwd, maar uit meerdere sets pijpen die tegelijk klinken. Dat geeft een sterker geluid dan wanneer slechts één pijp zou worden aangeblazen, het register is daardoor beter te horen.

Voor een aantal registers (mixtuur) is het niet gewenst dat in alle delen van het klavier de toon van een dergelijke set even sterk klinkt. Dit kan men aanpassen door voor verschillende delen van het klavier een verschillend aantallen pijpen te gebruiken (Dit wordt aangegeven door aanduidingen als 3 – 4 st (bij de lage tonen 3 sterk, bij de hogere 4 sterk) en 2 – 4 st (bij de lage tonen 2 sterk, bij de middentonen 3 sterk, bij de hoge 4 sterk). In het geval van het register mixtuur speelt hier ook mee dat in de extra pijpen ook tertsen en/of kwinten zijn opgenomen. Dit kan bij lagere tonen verstorend gaan werken, omdat er dan teveel tonen in de tonen van de melodie klinken. Daardoor zou het moeilijker worden om met het orgel mee te zingen.

 

Pijpen in registerfamilies

De pijpen zijn onderverdeeld in een aantal registers. Een register is de set pijpen van een bepaald geluid die nodig zijn om het hele toetsenbord te kunnen laten horen. Voor elke toets is er dan ook (minstens) één pijp. Registers zijn onder te verdelen in de volgende registerfamilies:

  • Prestanten
  • Fluiten
  • Strijkers
  • Tongwerken

Hierna worden de pijpen uit de verschillende disposities van het orgel gerangschikt per registerfamilie.

 

Prestanten

  • Prestant
    • 8 vt in het hoofdwerk in alle disposities,
    • 8 vt in het onderpositief van Armbrost
    • 4 vt in het onderpositief van Armbrost en Nijsse.
  • Octaaf
    • 4 vt in het hoofdwerk in alle disposities
    • 2 vt in het onderpositief van Armbrost
  • Quint
    • 2 2/3 in het hoofdwerk van Armbrost, Koch en Nijsse
  • Terts
    • 1 3/5 vt in het onderpositief van Nijsse
  • Mixtuur
    • 2-4 st uit 2 vt in het hoofdwerk van Armbrost
    • 2-4 st uit 1 vt in het onderpositief van Armbrost
    • 3-4 st in het hoofdwerk van Nijsse
  • Cymbel
    • 3 st in het hoofdwerk van Koch
  • Sexquialter
    • 3 st in het hoofdwerk van Armbrost

Fluiten

Open cylindrische pijpen van wijde mensuur
(grondtonige klank)

  • Open fluit
    • 4 vt in het onderpositief van Sanders en Koch
    • 8 vt in het pedaal van Nijsse
  • Woudfluit
    • 2 vt in het hoofdwerk van Armbrost
  • Flageolet
    • 1 vt in het onderpositief van Nijsse
  • Cornet
    • 5 st in het hoofdwerk vanaf Sanders

 

 

Open conische pijpen
(boventoonrijker dan cylindrische pijpen)

  • Gemshoorn
    • 2 vt in het onderpositief vanaf Koch
  • Spitsfluit
    • 4 vt in het hoofdwerk van Nijsse
  • Nasard
    • 2 2/3 vt in het onderpositief van Nijsse

 

 

Gedekte pijpen (hout of metaal) van gemiddelde tot wijde mensuur
(zachtere, grondtonige klank)

  • Holpijp
    • 8 vt in het onderpositief in alle disposities
  • Subbas
    • 16 vt in het pedaal vanaf Sanders
  • Bourdon
    • 16 vt in het hoofdwerk in alle disposities

 

 

Halfgedekte pijpen
(boventoonrijker dan gedekte pijpen)

  • Roerfluit
    • 8vt in het hoofdwerk sinds Sanders

Strijkers

Strijkers zijn open metalen pijpen van enge mensuur, Deze hebben een zeer boventoonrijke klank, in sterkte variëren ze van krachtig tot zeer zacht

  • Violon
    • 8 vt in het hoofdwerk van Sanders
  • Salicet
    • 4 vt in het onderpositief van Sanders
  • Viola (di Gamba)
    • 8 vt in het onderpositief vanaf Sanders
  • Vox Celeste (deze is zwevend gestemd ten opzichte van de viola)
    • 8 vt in het onderpositief van Sanders en Koch

Tongwerken

Volle bekerlengte (krachtige klank)

  • Trompet
    • 8 vt in het hoofdwerk in alle disposities
  • Bazuin
    • 16 vt in het pedaal van Nijsse

 

 

 

 

 

Halve bekerlengte
(minder sterke klank)

  • Fagot
    • 16 vt in het hoofdwerk van Nijsse
  • Dulciaan
    • 8 vt in het onderpositief van Nijsse