Het speelmechanisme

Het klavier

Het klavier (manuaal) bestaat uit een aantal toetsen op een raamwerk. Het speelmechanisme van een orgel kan meer dan één klavier hebben. Zo heeft ons kerkorgel twee klavieren. De omvang van het klavier kan verschillen, maar heeft te maken met de tijd waarin het orgel is gebouwd. Voor elke toets in het algemeen één pijp per register aanwezig. Bij vulstemmen (als mixtuur, cornet en cymbel) heeft het orgel meer dan één pijp per toets.

Een orgel kan uiteraard niet meer tonen spelen dan dat het pijpen heeft op de windlade. Het klavier van ons kerkorgel heeft een omvang van C (c-groot) tot en met f3 (f drie-gestreept). Daarmee is de manuaalomvang van een kerkorgel (54 toetsen) aanzienlijk kleiner dan dat van een piano (88 toetsen). Dat wordt echter ruimschoots gecompenseerd door de diverse voetmaten van de pijpen. De toonomvang van ons orgel (met 16, 8, 4, 2 en 1 voet-registers) is daardoor vier octaven (48 toetsen) groter. Ons orgel kan daardoor 102 tonen spelen.

 

Het pedaal

Voor het pedaal geldt in grote lijnen hetzelfde als hiervoor onder het klavier is geschreven. Een verschil is echter dat het pedaal met de voeten wordt gespeeld en niet met de handen. Ook de omvang van het pedaal verschilt van dat van de manualen. Zo is het pedaal van ons orgel qua omvang half zo groot als dat van de manualen. Het heeft een omvang van C (c-groot) tot en met d1 (d één-gestreept).

 

Koppels

Om de mogelijkheden van het registreren van het orgel te verhogen kunnen de manualen onderling of de manualen met het pedaal worden gekoppeld. Met een manuaal of pedaal kunnen dan registers van een ander manuaal worden gebruikt, dan die bij dat pedaal of manuaal horen.

Ons orgel kent vier koppels:

Manuaal koppel B: Manuaal I trekt de toetsen van de lage tonen (bas) mee van manuaal II.

Manuaal koppel D: Manuaal I trekt de toetsen van de hoge tonen (discant) mee van manuaal II.

Pedaal-Hoofdwerk: Het pedaal trekt de toetsen van het Hoofdwerk mee.

Pedaal-Positief: Het pedaal trekt de toetsen van het Positief mee.

Zo is het dus mogelijk om de geluiden van beide manualen op het eerste klavier te spelen.

Pedaalkoppels geven de mogelijkheid om manuaalgeluid toe te voegen aan het pedaal.

 

De tractuur

Met de tractuur wordt de overbrenging van bewegingen van de bedienbare delen van het orgel naar de mechaniek daarachter bedoeld. De tractuur van het orgel kan in tweeën worden verdeeld: De tractuur van de toetsen en die van de registerknoppen.

De tractuur van de toetsen is vrij ingewikkeld. Bij het indrukken van een toets zet zich een heel mechaniek in werking. Dit mechaniek maakt het mogelijk om via de mechanische constructie bochten te maken. Deze bochten zijn nodig om het ventiel dat bij de toets hoort recht naar beneden te kunnen trekken. Omdat het ventiel zich in de luchtdichte kleppenkast bevindt is een speciale constructie nodig om geen wind te verliezen. Om de draden toch binnen de kleppenkast te kunnen laten komen zijn bij het gat rond elke draad pulpeten aangebracht. Dit zijn winddichte leren zakjes die aan de binnenkant van de kleppenkast zijn bevestigd. Het ventiel wordt dus door een draad omlaag getrokken wanneer de toets wordt ingedrukt. Wanneer de toets wordt los gelaten sluit het ventiel zich weer doordat een veer in de kleppenkast het ventiel samen met de winddruk weer omhoog duwt.

De tractuur van de registerknoppen is eenvoudiger. Door het uittrekken van een registerknop wordt een hefboom in werking gezet waarmee de met het register corresponderende sleep of slepen wordt of worden verschoven.