Windvoorziening

Voor het bespelen van het orgel is wind nodig. Deze wind wordt geleverd door een grote ventilator die de wind in een magazijnbalg blaast. Deze magazijnbalg dient als reservoir voor de wind en zorgt voor de gewenste constante winddruk. Vanaf de balg loopt een windkanaal naar het orgel dat ervoor zorgt dat de wind op de gewenste plaats in het orgel komt.

 

Windladen

De windladen zijn het eindpunt van de windvoorziening. Hier wordt de wind verdeeld over de pijpen. Door de windlade is het mogelijk één van de vele pijpen die op de windlade zijn geplaatst afzonderlijk te laten spelen door de wind toe te laten tot steeds kleinere delen van de windlade. De windlade is daarom aangesloten op een windkanaal. Per klavier zijn er één of meer windladen. Globaal is de windlade te verdelen in drie delen: de kleppenkast, de cancelen en het registermechanisme.

De kleppenkast is een grote ruimte waarin de wind vanuit het windkanaal binnenstroomt. Alle wind die bestemd is voor de pijpen van de windlade komt hier eerst samen. Bovenin de kleppenkast zitten ventielen die door de toetsen via de tractuur van het orgel worden bediend. Wordt op het klavier een toets ingedrukt, dan opent zich één van de ventielen, waardoor de wind in één van de cancelen van de windlade stroomt.

Per toets op het klavier heeft de windlade dus één cancel. Dit cancel zorgt ervoor dat de wind bij alle pijpen van een toets kan komen. Door welke pijpen de wind zal gaan wordt bepaald door de stand van het registermechanisme.

Het registermechanisme bepaalt welke pijpen van een register ook daadwerkelijk meespelen. Daartoe is per register een schuif (sleep) aanwezig waarmee de pijpen al of niet worden ingeschakeld. Het registermechanisme bestaat (weliswaar sterk vereenvoudigd) uit drie latten met gaten op dezelfde plaatsen. Op de bovenste lat (de pijpstok) worden de pijpen geplaatst. De onderste lat (het sponsel) is zo bevestigd dat de gaten precies onder die van de bovenste lat zitten. Beide latten kunnen niet ten opzichte van elkaar bewegen. Tussen beide latten bevindt zich de verschuifbare sleep. Door de sleep zo te plaatsen dat alle drie de gaten boven elkaar liggen wordt een register geopend. Wanneer de gaten van de sleep niet tussen de gaten van de bovenste en onderste lat liggen laat het geen lucht door en is het register niet ingeschakeld. Door sluitringen (de witte rondjes) te gebruiken voorkomt de orgelmaker dat lucht van het ene naar het andere pijpgat lekt.

Sommige registers zijn gedeeld. Dit houdt in dat er twee registerknoppen voor het register aanwezig zijn. Eén voor de hoge tonen van het klavier (discant) en één voor de lage tonen (bas). Voor elke sleep op de windlade is een registerknop aanwezig.

 

Afsluiting

Een afsluiting werd in een orgel aangebracht om een klavier met één registerknop buiten werking te kunnen stellen. In het geval van een mechanische storing kwam dit van pas. Een toon van één van de klavieren, die blijft hangen zal daardoor niet de hele kerkdienst blijven doorklinken. Dat klavier wordt dan afgesloten en de rest van de dienst kan op het andere klavier worden doorgespeeld.

Het huidige orgel heeft geen afsluitingen meer. Vroeger heeft het orgel twee afsluitingen (per klavier een) gehad.

 

Tremulant

Een tremulant kan eveneens met een registerknop worden ingeschakeld. Het is een deel van het windkanaal dat zorgt dat de windtoevoer kleine fluctuaties vertoont. Er zijn twee soorten tremulanten, De inliggende en de opliggende. Het is niet bekend welk type tremulant het orgel van Vaassen heeft gekend.

Bij de inliggende tremulant wordt het vibrerende effect veroorzaakt door een klein klepje in het midden van een klep in het windkanaal. Op dit klepje is een veer gemaakt met een gewichtje aan het uiteinde. De veer zorgt dat het klepje op de wind heen en weer gaat bewegen. In de klank ontstaat daardoor een vibrerend geluid.

Bij de opliggende tremulant wordt deze niet in het windkanaal gemaakt, maar er op of naast gemaakt. Het bestaat uit een klein balgje met een klepje en een veer. De werking van de tremulant is als volgt: Het balgje wordt opgeblazen totdat de veer op een bepaalde druk staat. De veer opent vervolgens een klepje, waardoor wind uit de balg ontsnapt en het balgje weer teruggaat naar de beginstand. Vervolgens sluit het klepje zich weer en herhaalt de cyclus zich opnieuw.

Het huidige orgel heeft een opliggende tremulant.

 

Ventiel

Wanneer het ventiel wordt geopend stroomt de resterende wind uit de balgen snel weg. Vermoedelijk om te voorkomen dat de balgen (met name spaanbalgen) bij het langzaam leeglopen gaan kraken. Wanneer de organist niet speelde liepen de gevulde balgen langzaam leeg omdat de windvoorziening van het orgel niet volledig luchtdicht is. Onder het spelen was dit niet zo erg, het orgel speelde veel sterker dan de geluiden die bij het leeglopen van de balgen optraden. Wanneer de organist stopte kon het erg irritant zijn omdat het storende geluiden veroorzaakte tijdens het zingen van de voorzanger, een gebed, een schriftlezing of de preek.

Het huidige orgel heeft geen ventiel meer nodig. De windvoorziening is dermate geruisloos geworden dat deze niet meer als storend ervaren wordt.