Voorzangers

De voorzanger had in de kerk een duidelijke plaats in de liturgie. Het was een taak die lang werd verricht door degene die koster en schoolmeester was. Dat verband was een logisch gevolg van de aanstellingsbepalingen van schoolmeesters. De kerk had in dorpen als Vaassen daarin een duidelijke stem. Er was immers bepaald dat alle meesters lidmaat moesten zijn van de Gereformeerde kerk. Godsdienstonderwijs was een belangrijk onderdeel van hun taak. De kinderen leerden de psalmen op school en de antwoorden op de catechismusvragen. Bij de aanstelling van een dorpsschoolmeester werd vooral gelet op zijn bekwaamheid tijdens de kerkdienst. Hij moest psalmen kunnen zingen, kunnen voorlezen in de kerkdienst en moest voldoende op de hoogte zijn van de beginselen van het Gereformeerde geloof. Het was dus logisch dat de schoolmeester dan ook voorzanger en voorlezer was. Met de komst van een orgel bleef de voorzanger vaak aan omdat de toenmalige orgels nog geen echte uikomende stemmen hadden. Hierdoor was het moeilijk om de melodielijn van een lied tijdens het spelen te benadrukken. Door het zingen van de voorzanger kon dit worden ondervangen.