Was dit orgel inderdaad het eerste?

Als schrijver van dit boek stond ik voor een dilemma. Klopt het dat de orgelgeschiedenis van Vaassen inderdaad in 1821 begint of is er al eerder sprake van een orgel in de kerk. Een dergelijke vraag is slechts na veel onderzoek te beantwoorden.

Toch is het beantwoorden van deze vraag belangrijk voor de volledigheid van de geschiedenis. Tijdens mijn onderzoek hoorde ik van het mogelijke bestaan van een orgelkamp in Vaassen in de 18e eeuw. Bij nader onderzoek bleek ik hiervoor geen aanwijzingen te kunnen vinden. Ook werd in de jaarrekening over 1824 melding gemaakt van het halen van twee vragten nieuwe pijpen van Haaksbergen in het bovenwerk van het nieuwe orgel. Dat er wordt geschreven over het nieuwe orgel kan een aanwijzing zijn dat er ook een oud orgel heeft bestaan. Dat hoeft echter niet. Het orgel was immers voor de gemeente nieuw. De juiste klemtoon voor de goede interpretatie van de tekst is niet uit de tekst te halen. Een derde mogelijke aanwijzing voor het bestaan van een eerder orgel kan zijn dat het door ds. van der Zee genoemde bedrag erg laag is voor een orgel dat bijna dertig jaar later door Broekhuyzen werd beschreven. Hiervoor is al aangegeven dat deze lage kosten zijn veroorzaakt doordat het orgel in twee fases in gebouwd.

Ik heb me bij dit onderzoek in eerste instantie vooral gericht op betalingen aan een organist, een orgeltrapper of een orgelbouwer voor 1820. Ik heb daarvoor in de jaarrekeningen van ambt Epe (voor de scheiding van Kerk en Staat betaalde de gemeente deze kosten) geen enkele aanwijzing gevonden. Ook is het tijdstip van het bouwen van een orgel in Vaassen niet vroeg of laat te noemen ten opzichte van de plaatsen in de omgeving. Enkele zijn eerder, andere zijn juist weer wat later. Duidelijk is wel dat in de eerste helft van de 19e eeuw veel orgels in onze omgeving zijn gebouwd. Vaassen is daarin geen buitenbeentje in negatieve zin. Een afgeleide daarvan is dat het orgel toen ook nieuw was, anders was er wel eerder een organist geweest. Ook is geen melding gemaakt van een nieuwe organist en dat deze werd aangesteld omdat de vorige organist was vertrokken of overleden.

St. Anna-vicarie

Na uitvoerig onderzoek werd duidelijk dat de kerk van Vaassen wel degelijk eerder een orgel moet hebben gehad. Van der Aa meldt in zijn aardrijkskundig woordenboek van Nederland uit 1848 dat Vaassen een viertal vicarieën had. Een vicarie is een kerkelijke stichting die voor een bepaald doel werd opgericht. De tweede (st. Anna) vicarie is in het kader van dit boek interessant:

Het tweede was die van st. Anna, van welke de bedienaar ook gehouden was drie diensten te doen. Volgens de stichtingsbrief had de pastoor, met de ingezetenen van het dorp, het regt om den laatstgenoemden vicaris te benoemen, die dan verpligt was, om met den pastoor de zorg voor de gemeente te hebben, binnen de pastorie te wonen, opzigt over de school te houden en het orgel waar te nemen.

Vicarieën hadden een bepaalde rol in de kerk voor de reformatie. Als iemand geld aan een vicarie schonk bad een vicaris na de dood voor het zieleheil van degene die het bedrag schonk of voor degene voor wie het bedrag werd geschonken. In de veertiende en vijftiende eeuw werden veel van deze vicarieën gesticht.

Ook kon een bedrag worden geschonken voor een bepaald doel. Daarvan was sprake in het geval van de St. Anna-vicarie. Uit de opbrengst van de vicarie-goederen moest in Vaassen een vicaris worden benoemd die wekelijks drie diensten moest verzorgen, moest zorgen voor een goede scholing ter plaatse en tevens moest zorgen voor het onderhoud van het orgel.

In het rapport over de vicarie-goederen in hun verband tot de andere kerkelijke goederen in Gelderland schrijven Koker en van Beuningen in 1888 dat in een publicatie van Lindeborn staat dat de stichtingsbrief het patronaatsrecht als volgt beschrijft:

Parocho et Pago et a Ministro requirit, quod sit Sacerdetali charactere, actu insignitus, intra Paroeciam resideat, scholam mederetur et Organistam agat.

Dit kan worden vertaald als: De parochie en degene die betaalt, verlangen van de dienaar dat hij priesterlijk (heilig) is, dat zijn daden indruk maken, dat hij woont binnen de parochie, de school zal ondersteunen en een organist verwerft.

De acta visitationis diocesis Daventriensis vermelden de volgende tekst:

Vicarius S. Annae ipse pastot est

Collatores pastor cum pago.

Onus juxta fundationem debet esse actu sacerdos et personaliter residere, tenerturque esse ludimagister et organista et dominica, martis et mercurii diebus celebrare in hebdomada.

Corpus ex certis agris et redditibus circiter XXV modios siliginis

Ipse pastor est paratus resignare, si sciret aliquem bonum sacerdotem velle ibidem residere.

Dit betekent vrij vertaald: De vicaris van Sint Anna is zelf pastor. De begunstigers ervan zijn de pastoor en het volk. Conform de stichtingsakte moet een priester, die persoonlijk aanwezig moet zijn (in Vaassen moet wonen) en ook schoolmeester en organist moet zijn, wekelijks op zondag, dinsdag en woensdag een mis voordragen. De vicarie wordt bekostigd uit de opbrengst van bepaalde akkers en teruggaves van ongeveer 25 maten fijn tarwemeel. De pastor wil terugtreden, wanneer hij een andere goede priester heeft gevonden die zijn taak zou willen overnemen.

Er wordt bovendien vermeld dat het St. Anna vicarie in 1650 voor het laatst is begeven.

In het boek vicarieën in Gelderland meldt Wijnaendts van Resant het volgende:

St. Anna vicarie, inkomsten uit bouwland en ca. 25 molder rogge, collator de pastoor en de geërfden, vicaris tot 1571 heer Willem Jansen, pastoor te Vaessen, daarna heer Joannes ten Holten, pastoor te Epe; 3 dec. 1628 door de ambtsjonkers en de geërfden geconfereerd aan Coenraad Goddeus, zoon van den predikant aldaar Herman Goddeus.

Ook in het archief van de Cannenburgh wordt op een aantal plaatsen melding gemaakt van de St. Anna-vicarie. Op 1 juli 1492 wordt melding gemaakt van een jaarlijkse overdracht van 2 molder winterrogge. Op 13 december 1538 wordt een overeenkomst gesloten over een onderlinge ruil van het pastoorbeneficie, de St. Annavicarie en de O.L. Vrouwenvicarie en de daartoe behorende woningen.

Het bovenstaande is reden genoeg om te constateren dat er rond 1500 een orgel in de kerk moet hebben gestaan. Dat was ook niet uitzonderlijk. Vente meldt dat de meeste steden in de 15e eeuw een orgel kregen en dat de dorpen die het konden betalen er ook één aanschaften. Blijkbaar had Vaassen van de stichter van de sint Anna vicarie voldoende geld gekregen om ook een orgel aan te schaffen.

Hoe heeft het eerdere orgel eruit gezien

Voor 1821 heeft de kerk blijkbaar een aantal jaren geen orgel gehad. Anders had ik immers wel de betaling aan de organist terug kunnen vinden in de kerkelijke jaarrekeningen over de jaren voor 1821. Wanneer het orgel er was en wanneer dit werd verwijderd of afgebroken is niet bekend. Uit de gegevens van de bouw van het orgel in 1821 blijkt echter dat het geen ballustrade-orgel is geweest. Er werden immers pijlers en een zolder gemaakt. Wanneer deze er al waren geweest waren deze niet zo nadrukkelijk genoemd.

Over het orgel is vanuit de algemene orgelgeschiedenis wel een aantal zaken te schrijven. We weten immers dat het orgel rond het jaar 1500 aanwezig moet zijn geweest en dat Vaassen een niet al te grote gemeente had en de kerk ook niet al te groot was. Het ligt dan ook voor de hand dat het orgel destijds voor in de kerk (aan de kant van de Dorpsstraat) zal hebben gestaan in het koor. Het orgel werd veelal gebruikt om de koorzang te begeleiden. De orgels van een dergelijke omvang waren, wanneer dat aanwezig was, vaak op een oxaal (verhoging) geplaatst in de buurt van het altaar.

De orgels uit die tijd waren niet al te omvangrijk. Ze hadden geen afzonderlijke registers. Alle pijpen die op een toets waren aangesloten klonken daardoor tegelijk. Een dergelijk orgel wordt blokwerk genoemd. Wanneer er al een mogelijkheid was tot variatie bestond deze uit het spelen op meerdere klavieren op het orgel. Elk klavier had dan een vaste set pijpen van eenzelfde soort. De basis van het orgel was een dubbele rij met pijpen, met daartussen de pijpen met hogere tonen. Zo werden octaven en kwinten aan het geluid toegevoegd. Het aantal pijpen per toets nam, al naar gelang de toon hoger werd, toe. De pijpen waren overeenkomstig de huidige prestant en cimbel registers. De voorste (zichtbare) pijpen waren gemaakt van tin, de overige van lood. Wanneer sprake was van een pedaal, ging het om een aangehangen pedaal. De toetsen van een dergelijk pedaal zijn verbonden met de laagste toetsen van een klavier. De windvoorziening bestond tot circa 1430 uit meerdere kleine balgen, die door meerdere orgeltrappers moesten worden bediend. Daarna kwamen er ook balgen met een groter volume, die door één persoon konden worden bediend.

De organisten konden ook toen niet van de opbrengst van het orgelspelen bestaan. Daarom hadden velen een andere baan als schoolmeester, koster of kerkelijk administrateur. Ook kwam het in de 15e eeuw veel voor dat een priester tevens organist was. Vanuit de stichtingsakte lijkt het erop dat in Vaassen de vicaris zowel school-meester als organist was.

De reden voor de verwijdering van het orgel is niet bekend. Het kan zijn dat het verwijderd is in de periode dat de kerk fel tegen orgelspel gekant was. Omdat de reformatie van Vaassen rond 1610 plaatsvond en orgels steeds meer werden getolereerd lijkt dit niet waarschijnlijk. Waarschijnlijker is dat er onvoldoende geld was voor het onderhoud van het orgel en dat deze op een bepaald moment is verkocht aan een andere gemeente. Een andere reden, die ook van financiële aard is, kan zijn dat het onderhoud te duur was en de gemeente dit niet meer kon of wilde betalen. Het orgel werd daardoor steeds slechter en was niet meer te bespelen. De kosten om het weer bespeelbaar te maken zouden dan te hoog kunnen zijn.