Scheiding van Kerk en Staat

De kerk had in de middeleeuwen een heel andere relatie met de staat dan nu. Beiden waren sterk met elkaar verweven. Zo bezat de gemeente of het stadsbestuur de kerkgebouwen en was ze verantwoordelijk voor het benoemen van kerkelijke ambtsdragers. De kerken hadden op hun beurt grote wereldse bezittingen. Daardoor werd de kerk een machtsfactor van belang en kon de kerk dienen als buffer tussen de instabiele en vaak onderling ruziënde staten.

Na de reformatie bleef deze situatie bestaan. De kerkgebouwen bleven in handen van de wereldlijke overheden en de reformatoren veranderden dit niet. Zowel Staat als Kerk hadden belang bij deze verwevenheid. De kerk vervulde belangrijke functies (persoonsregistratie, onderwijs, recht) in het openbare leven en daar konden de openbare bestuurders goed gebruik van maken. Doordat de burgers periodiek in kerken samen kwamen, ontstond de mogelijkheid om overheidsbesluiten op een eenvoudige manier (in de kerk) aan de burgers bekend te maken..

De onderlinge verwevenheid tussen Kerk en Staat ging ook op voor het maken van orgels. De Staat was eigendom van de kerkgebouwen en daarmee ook van de orgels in die kerken.

In de Franse tijd (1795 – 1815) maakte de overheid de band tussen kerk en staat losser. Dit werd ingegeven door de termen: Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap. Het zal duidelijk zijn dat degene die dit propageerde geen voorstander kon zijn van een bevoorrechte (Gereformeerde) kerk. De bevoorrechting werd daarom afgeschaft en Kerk en Staat werden langzamerhand aparte instellingen, die steeds minder met elkaar van doen hadden.

Toch was niet alles van de ene op de andere dag veranderd. Het zou nog vele jaren duren voordat de scheiding helemaal werd afgerond. Na 1816 kwamen steeds meer kerkelijke gemeenten op eigen benen te staan. Ze werden daarbij gesteund door de landelijke, provinciale en classicale organisaties.

Opmerkelijk is dat de scheiding van Kerk en Staat als gevolg van de staatsregeling van 1798 letterlijk dwars door het kerkgebouw heen liep. Bij deze staatsregeling werd namelijk bepaald dat de torens eigendom bleven van de burgerlijke gemeente en de kerkelijke gemeente het schip van de kerk tot haar beschikking kreeg. Deze opmerkelijke structuur werd ingegeven door praktische overwegingen als openbare tijdsaanduiding, stalling van de brandspuit en dergelijke.