Ontwikkeling van het (kerk)orgel

De orgelgeschiedenis begint al vroeg. Er bestonden al orgels voor het begin van onze jaartelling. Deze hadden echter nog niet een kerkelijke functie, maar werden vooral gebruikt tijdens markten en andere grotere samenkomsten. Dergelijke orgels waren nog maar klein van opzet. Ze kenden een beperkt aantal tonen en per toon maar één pijp. Door de beperkte grootte konden de eerste orgels gemakkelijk worden vervoerd. Het hele orgel kan worden vergeleken met een panfluit. Orgels konden zo vroeg ontstaan doordat deze relatief gemakkelijk te maken waren. Heel eenvoudig voorgesteld bestaat een orgel uit een aantal pijpen, die elk maar één toon kunnen weergeven. Elke pijp heeft een bepaalde lengte, waardoor de toonhoogte wordt bepaald. Een korte pijp geeft een hoge toon en een lange pijp een lage toon. Om van de afzonderlijke pijpen een orgel te kunnen maken moeten ze  worden aangesloten op een windvoorziening en moet er een manier worden gevonden om de pijpen afzonderlijk, naar wens van de bespeler, te laten klinken. Om de pijpen te laten klinken was een constructie nodig om de wind al dan niet door de pijpen te laten lopen. Door pijpen van verschillende materialen te maken en ze verschillende vormen te geven, ontstonden meerdere soorten registers, met elk hun eigen klank.

Met het orgel ontstond de mogelijkheid om door één persoon meer stemmen te laten spelen op een blaasinstrument. Wat met snaren mogelijk was (citer en soortgelijke snaarinstrumenten) kon nu ook met blaasinstrumenten. Het volume van de orgels was groter dan dat van de snaarinstrumenten. Hierdoor kregen de orgels een belangrijkere rol bij grotere bijeenkomsten. Diverse vorsten ontwikkelden grotere orgels, met een omvangrijker aantal tonen, maar ook met meer pijpen per toon. Deze werden op vaste plaatsen opgesteld. Hierdoor ontstonden steeds indrukwekkender orgels. Het orgel kreeg in oosterse paleizen een plek en toonde de macht van de heerser. De grandeur van het orgel straalde af op de bezitter van een dergelijk groots instrument. Het orgel werd een statussymbool van wereldlijke heersers.

Nadat het orgel in de derde eeuw voor Christus ergens in het Midden-Oosten (er zijn bronnen die Alexandrië in Egypte noemen en andere noemen weer Aspendus in Klein-Azië) was uitgevonden verspreidde het zich snel. In de eerste eeuw voor Christus werd melding gemaakt van orgelwedstrijden in Griekenland. In de tweede eeuw na Christus is het orgel een luxe-object van de goed gesitueerden in Rome.

Met de ineenstorting van het West-Romeinse rijk raakte het orgel daar in de vergetelheid. In het Oost-Romeinse rijk bleef de kennis ervan bestaan, maar het ontwikkelde zich daar echter tot de 15e eeuw niet verder. Het werd er een exclusief voorrecht van het keizerlijke hof. In de vijfde eeuw kwamen in Syrië veel straatorgels voor. Van daaruit verspreidde het orgel zich met de Islam over het Midden-Oosten, Noord-Afrika en Spanje.

Een orgel als oorlogsinstrument

De eerste orgels konden nogal veel geluid produceren. Ze waren minder verfijnd van klank dan de huidige kerkorgels. Het maakte een indrukwekkende hoeveelheid geluid.

De vroegere bezitters (vaak vorsten) zagen al gauw ook de militaire kansen van het instrument. Eén pijp met een hoeveelheid lucht onder hoge druk kon zo bij de tegenstander nogal wat ontzag inboezemen.  Orgelpijpen kregen hierdoor een, op zijn zachtst gezegd, dubieuze bestemming.

Het orgel komt opnieuw in West-Europa wanneer Pepijn de Korte in 757 een orgel als geschenk van Constantijn Kompronymos van Byzantium (het huidige Constantinopel) voor zijn hofkapel in Compiègne krijgt. In 826 werd door priester Georgius uit Venetië voor Lodewijk de Vrome een orgel gebouwd in zijn paleis in Aken. Algemeen wordt dit beschouwd als het eerste in het westen gebouwde orgel. De kennis van de orgelbouw in het westen werd in de vroege middeleeuwen overgedragen door de monniken. De eerste westerse orgels dienden als pronkinstrument en statussymbool.

Alhoewel er geen sprake is van een pauselijk besluit om het orgel bij de kerkelijke eredienst te gebruiken, vond het orgel geleidelijk de weg naar de kerk. In het begin van de 10e eeuw werd het al gebruikt bij de eredienst binnen de kloosters. In de 11e eeuw kende met drie soorten orgels: het grote kerkorgel, het positief (een orgel dat niet was ingebouwd, maar was neergezet) en het portatief (kleiner verplaatsbaar orgel). Vanaf de 14e eeuw verscheen het orgel als geaccepteerd instrument in de kerk. Ondanks de opmerkingen van de kerkvaders verdween het wantrouwen van de kerkelijke overheid geleidelijk. De orgels werden niet gebruikt voor begeleiding van de gemeentezang, maar meer als afwisseling tussen de coupletten die een koor zong.

Tussen de 13e en de 15e eeuw veranderde het orgel aanmerkelijk. De toetsen waarmee het werd bespeeld, werden tot een klavier samengevoegd. Ook werd het mogelijk meerdere klavieren aan te sluiten en werd het pedaal ontwikkeld voor de lage tonen. Ook kreeg men meer aandacht voor de kastbouw en de vormgeving van het front van het orgel. De instrumenten werden steeds groter en imposanter.

Na de reformatie werd de discussie over het gebruik van een kerkorgel opnieuw gevoerd. Omdat de meeste kerkhervormers het orgel in de kerk zagen als een onderdeel van de vroegere kerk moesten ook deze instrumenten het bij de beeldenstorm (1566) vaak ontgelden. Ze waren immers ook voorzien van beelden en fraaie versieringen. Dit temeer omdat het orgel vaak een pronkstuk was van de stad. Bij vele officiële gelegenheden van de overheid werd het instrument bezichtigd en bespeeld. Vele stadsbesturen wisten de orgels te redden door de trap naar het orgel tijdig te verwijderen, waardoor de schade meeviel.

In de jaren daarna ontwikkelde het kerkorgel zich verder. Het werd steeds gecompliceerder en kreeg een steeds verfijnder geluid en meer mogelijkheden.