De relatie tussen muziek en de kerk

De relatie tussen kerk en muziek komt duidelijk tot uiting in de Bijbel. Op meer dan 800 plaatsen wordt over muziek geschreven. Op meer dan 200 plaatsen worden we opgeroepen om te zingen. En aan dat zingen is zelfs een heel Bijbelboek gewijd: de Psalmen.

In het Oude Testament komt muziek op veel plekken voor. Het begint al in Genesis 4, waar wordt beschreven dat de mens muziek gaat maken en instrumenten maakt. Daarna komt het nog vele malen in verschillende stemmingen terug. Muziek werkt verademend. Die heilzame werking wordt beschreven wanneer David voor Saul speelt (1 Samuël 16:23). Door de muziek week de boze geest van Saul. Muziek is dus een probaat middel in de geestelijke strijd van mensen tegen het kwade. In de Joodse cultuur wordt muziek gebruikt op vele manieren in vrijwel elke stemming. Natuurlijk bij blijde gebeurtenissen als het binnenhalen van de ark in Jeruzalem (2 Samuël 6:15) en bijvoorbeeld de lofzang van Maria (Lucas 1:47–56). Maar ook bij droevige gebeurtenissen als het rouwen om de doden, heimwee en de zware tijden die Israël als volk troffen (klaagliederen). Ook ten aanzien van profetieën en bij het aangaan van de strijd wordt in de Bijbel muziek gebruikt. Muziek is dermate belangrijk dat de Levieten van David de opdracht krijgen om de Here te loven. Diezelfde David had volgens de Bijbel de beschikking over maar liefst 4000 muzikanten.

In het Nieuwe Testament wordt aanzienlijk minder over muziek geschreven. Toch blijkt uit een aantal teksten (Efeze 5: 18, 19 en Kollossenzen 3:16) dat men de Joodse traditie van muziek bleef voortzetten. Er kwamen steeds meer liederen bij; Paulus schreef dat in de eerste gemeenten lofzangen en hymnen werden gezongen. Het belang van het lied wordt door Paulus meer dan eens onderstreept.

De relatie tussen kerk en muziek veranderde in de loop van de christelijke kerkgeschiedenis een aantal keren.
De gemeenteleden van de eerste gemeentes zongen veel met elkaar. Dat gebeurde veelal in wisselzang. Muziek was daardoor een belangrijk onderdeel van de samenkomsten. De muziek ontwikkelde zich verder.
Toch voldeed de muziek blijkbaar niet altijd even goed. Zo wees kerkvader Augustinus in de 4e eeuw op het gevaar dat hij meer onder de indruk was van het zintuiglijke genot van de muziek, dan de woorden die werden gezongen. Blijkbaar sleepte de muziek hem zo mee, dat hij de teksten niet meer voldoende in zich op kon nemen. Hij was bang dat de woorden daardoor ondergeschikt zouden worden aan de klanken. Toch was hij een groot voorstander van muziek.

Vanaf de vierde eeuw kwamen er geschoolde voorzangers. Zij namen steeds meer de gezongen delen van de dienst voor hun rekening. Dit werd mede veroorzaakt doordat Latijn de liturgische taal was en veel mensen dit niet beheersten en melodieën steeds moeilijker werden. Door deze geschoolde zang ontwikkelde de kerkmuziek steeds verder. Er ontstonden zelfs muziekstijlen die alleen in de kerk of kloosters een plaats hadden (Gregoriaanse gezangen, kloostermuziek en natuurlijk verschillende soorten kerkelijke liturgische gezangen). De gemeente werd hierdoor in de eredienst steeds meer toehoorder.

In de zevende eeuw zingt de gemeente nagenoeg niet meer. Ondanks pogingen in de 9e eeuw de gemeentezang weer nieuw leven in te blazen duurt het tot het einde van de middeleeuwen voordat de gemeente weer mee gaat zingen.

Na de reformatie zag men de gezongen lofprijzing als een machtig wapen tegen de duivel en de duivelse machten.

Luther was een groot liefhebber van de kerkmuziek. Aan hem hebben we een aantal liederen te danken, die we nog regelmatig zingen. Luther wees op de helende werking van muziek. Kenmerkende uitspraken van Luther zijn: muziek verjaagt de duivel (de oorsprong van zorgen, droefheid en onrust) en musica optimum Dei donum (Muziek is het edelste geschenk van God). Muziek intensiveert het woord. Door de muziek wordt de mens met verstand èn gevoel bij de verkondiging betrokken. De muziek moet zich echter wel richten naar de tekst. Beide moeten een hechte eenheid vormen.

Calvijn was minder betrokken bij muziek dan Luther. Hij hield zich meer als theoloog met muziek bezig, dan als musicus. Hij staat bekend als de reformator die het orgel uit de kerk bande en ook tegen meerstemmige muziek was in de eredienst. Hij was een principiële tegenstander van het liturgisch gebruik van muziekinstrumenten. Toch had hij wel degelijk een band met muziek. Vanaf 1566 stond er in het kerkboek De Psalmen Davids ende ander lofsanghen van Petrus Datheen een nederlandse vertaling van de voorrede van Calvijn in La forme des Prières et chantz ecclesiastiques afgedrukt. Hij schreef daarin dat er nauwelijks iets in de wereld is dat de zeden van de mens zo sterk beïnvloedt als muziek. In een andere passage schrijft Calvijn dat van alle andere dingen die geschikt zijn de mens te recreëren en genot te verschaffen muziek de belangrijkste of in ieder geval één van belangrijkste is. Hij was daarbij beducht voor het verkeerde gebruik van de muziek en dit benadrukte hij dan ook nadrukkelijk. Hij maakte daarbij verschil tussen wereldlijke en geestelijke muziek. Hij maakte zich daarmee sterk voor een muziekstijl die afgezonderd is van de wereld en is toegewijd aan God. Dit werd ingegeven door zijn inzicht dat de mens gevoeliger is voor teksten, wanneer deze op muziek zijn gezet. Ze treffen de mens sterker en de woorden treden dieper naar binnen. Calvijn plaatste de kerkmuziek daarom ook niet tegenover of naast de verkondiging van het Woord, maar zag het als onderdeel ervan. Een gezongen tekst bleef langer hangen dan een gesproken tekst.

De gemeentezang werd daardoor weer steeds belangrijker en er ontstonden meer liederen in de eigen taal. Deze werden opgenomen in zangbundels. De gemeente was echter niet gewend om te zingen en kon veelal niet voldoende lezen. Hierdoor veranderde de taak van de voorzangers van solist naar zangleider. Zij moesten voorkomen dat de gemeentezang een warboel werd. Tevens konden ze de onbekende teksten en melodieën voorzingen, zodat de gemeente deze kon leren. Het mag duidelijk zijn dat de voorzanger luid en duidelijk moest zingen. Vaak, zeker in kleinere plaatsen als Vaassen, was de voorzanger tevens onderwijzer en koster. Als onderwijzer leerde hij de kinderen op school de psalmen, waarna de kinderen ook in de dienst konden meezingen met de voorzanger. De gemeente leerde van onderaf (de kinderen) zo steeds meer zingen.

Aan het einde van de 16e eeuw werd het orgel met haar ‘dom en onredelik geluyt’ na de reformatie door de kerkelijke overheden verboden. In de kerk bestond destijds het in- en uitleidend orgelspel voor en na de kerkdienst uit ‘onkuysche liederen, aanstootgevende deunen en wulpsche danserieën’. De synode van Dordrecht bepaalde daarom in 1574 dat het orgelspel ‘gantsch behoort afgheset te worden’, omdat de muziek dient ‘om te doen vergheten, wat men tevoren ghehoort heeft’. De synode had drie argumenten voor het besluit:

  • In de Bijbel las men in 1 Korinthe 14:19 een verbod om een orgel in de kerk te gebruiken. Orgelspel werd gelijkgesteld aan het spreken in tongen; het was onverstaanbaar en onbegrijpelijk.
  • Het orgelspel doet de preek vergeten. De synode oordeelde dat het orgelspel bijgeloof opriep en leidde tot lichtvaardigheid.
  • Het orgelspel na de dienst leidde er toe dat de collecte tijdens de dienst moest worden gehouden. Dit was hinderlijk in de liturgie.

Omdat deze oproep van de synode nauwelijks gehoor vond bij de burgerlijke overheden, bepaalde de synode in 1578 dat de orgels uit de kerken moesten worden verwijderd.

Al in 1596 bleek dat het ‘noch nit möglich ys de orgelpipen aff tho schaffen’, het actief verwijderen van orgels uit de kerken werd daarom niet meer door de kerkelijke overheden verplicht gesteld. Al snel begon het orgelspel aan haar opmars terug in de kerk. In Gelre werd het orgelspel al weer snel getolereerd. Zo werd in 1632 in Arnhem voorgesteld om, in navolging van Friesland, weer orgelbegeleiding in te voeren. Maar er werden wel beperkingen aan het orgelspel gesteld. De synode van Nijmegen besloot in 1639 ’dat op d’orgelen in de kercken niet anders dan de Psalmen en worden gespeelt’. Toch werd het orgelspel nog niet in het algemeen ingevoerd.

Veel gemeenten maakten rond die tijd tijdens de eredienst gebruik van voorzangers. Deze voorzangers ging het niet voor de wind. Ze kregen kritiek van onder meer Constatijn Huygens. In 1641 schreef hij een pleidooi voor het weer algemeen invoeren van de orgelbegeleiding in de kerkdiensten. Dit zou de kwaliteit van de gemeentezang sterk verbeteren. Door de invloed van tegenstanders is het opnieuw algemeen invoeren van het orgelspel ook toen niet gelukt. Wel gingen steeds meer kerken het orgel weer op eigen initiatief gebruiken.

Vanaf de zeventiende eeuw werd de band tussen geloof en muziek losser. Muziek werd niet langer noodzakelijk geacht voor de kerkdienst. Ze was nog wel zinvol. In de kerk kwam het accent meer te liggen op het gesproken woord. De muziek werd steeds meer vanuit de mens benaderd. Dit had ook gevolgen voor de kerkmuziek. In de calvinistische geloofsbeleving kwam er eens steeds grotere afstand tot de kerkmuziek. De mensen begonnen muziek steeds individueler te beleven, de gezamenlijke waarde nam daardoor af. Er kwamen daardoor verschillen van inzicht, die vervolgens discussies opleverden wanneer een kerkorgel werd aangeschaft.

Na verloop van tijd ging de belangstelling voor de kerkzang echter weer gestadig toenemen. De hervormde synode stelde in 1817 een commissie voor de eredienst in. Eén van de taken van deze commissie was de betekenis van het zingen onder de aandacht te brengen. De commissie waarschuwde tegen alle hard en ongeregeld geschreeuw van de voorzangers en de kinderen die de voorzanger ondersteunden tijdens de voorzang. Dit geeft duidelijk aan dat de voorzang op een aantal plaatsen de gewenste rol niet goed vervulde. Het werd meer en meer een probleem. Steeds meer gemeenten voerden daarom orgelbegeleiding weer in. Het verbod van de synode om orgels in de eredienst te gebruiken is echter nooit herroepen.

Naast het orgel kwamen er ook nog andere instrumenten in de kerk. Sommige als begeleiding, sommige als afwisseling van de gemeentezang. De meeste kerkgemeenschappen dulden tegenwoordig diverse  muziekinstrumenten in de kerk. Toch kan voor een aantal gemeenten alleen een orgel de gemeentezang begeleiden.

De relatie tussen onze kerk en het kerkorgel laat zich het beste onderstrepen door de tekening op de voorkant van ons kerkblad Hervormd Vaassen. Hierin zijn duidelijk een aantal orgelpijpen te zien.