Ds Wouter Leendert Tukker

Ds. Wouter Leendert Tukker

Deftig, vreedzaam en beminnelijk

In hervormd-gereformeerde kring, maar ook daarbuiten was zijn naam een begrip. Ds. W.L. Tukker had 27 jaar zitting in het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond, de laatste acht jaar als voorzitter. In zijn optreden was hij een man die het brede geheel van de Hervormde Kerk op het oog had. Door zijn irenische opstelling maakte hij ook vrienden onder mensen die niet tot de eigen richting behoorden. Portret van een geleerd theoloog en een echte calvinist.
J.P. Neven

De familie Tukker is afkomstig uit de Alblasserwaard. Bleskensgraaf was de geboorteplaats van Baltus Tukker, de vader van ds. W.L. Tukker. Zijn moeder, Cornelia van Wijngaarden, werd geboren in Giessendam. Op 8 april 1898 traden Baltus en Cornelia in het huwelijk. Ze gingen in Nieuwpoort wonen. In 1902 verhuisde het echtpaar naar Hoek van Holland. Daar vestigde Baltus zich als koopman. Later oefende hij het beroep van melkboer uit.
Op 14 september 1909 werd Wouter Leendert geboren (roepnaam Leen), als zesde kind in het gezin. Hij werd in de houten kerk van Hoek van Holland gedoopt.
Leen groeide kerkelijk op in een ethisch-confessionele gemeente. Zijn vader had een meer liberale inslag, terwijl zijn moeder een bevindelijk geloofsleven kende. Op vakantie in de Alblasserwaard maakte hij kennis met wat hij later noemde het

Godvruchtig voorgeslacht.

Thuis onderwees zijn moeder hem uit de Bijbel. Al jong kwam de begeerte om predikant te worden. Zijn moeder wees Leen op de predikant ds. A.F.P. Pop te Monster, om verder onderwijs te ontvangen in de leer der godzaligheid. Het was onder een preek van ds. G. Wisse dat hij de verzoening door het bloed van Christus beleefde, hij was toen zeventien jaar oud. Daarna volgde een krachtdadige roeping tot het ambt. Omdat zijn ouders niet vermogend waren, was het voor Leen niet weggelegd om te gaan studeren. Na het behalen van de M.U.L.O. ging hij naar de kweekschool. Hij brak de studie vroegtijdig af om te gaan werken in Rotterdam. Ondertussen maakte hij zijn vader kenbaar dat hij toch theologie wilde gaan studeren aan de universiteit te Utrecht. Na beraad met de andere zonen stemde Baltus Tukker daarin toe. Leen doorliep het Marnix Gymnasium te Rotterdam, in 1935 verhuisde hij naar Utrecht.

Theologische studie
De studie van Tukker duurde vier jaar. Hij kreeg onderwijs van onder anderen prof. dr. J. Severijn. Indruk maakten de colleges van prof. dr. S.F.H.J. Berkelbach van der Sprenkel, van wie hij trinitarisch leerde denken. Tukker was aangesloten bij de studentenvereniging Voetius, waarvan hij in 1938 preses werd. Opmerkelijk was dat hij niet alleen omging met studenten van eigen richting, hij sprak ook met vrijzinnigen en ethischen, zonder af te wijken van eigen standpunten.
Op 6 juni 1939 werd Leen Tukker toegelaten tot de Evangeliebediening, op 7 september 1939 zou het examen voor het Provinciaal Kerkbestuur van Zuid-Holland afgelegd worden, maar dat werd een week verzet. Op 14 september -het was zijn dertigste verjaardag- werd hij in de heilige bediening gesteld. Het werd hem een wonder, want het dertigste jaar was ook de priesterleeftijd. Die dag ontving hij zijn eerste beroepen, in totaal kreeg hij er acht. Omdat hij niet wist welk beroep hij moest aannemen, liet hij het lot beslissen: het werd het kleine Hei- en Boeicop in de Vijfherenlanden. Toch zag hij achteraf Gods leiding: het was de kerkenraad van deze gemeente die hem een beroep bracht op zijn dertigste verjaardag.

Klik hier!

Hervormd predikant
De bevestiging in Hei- en Boeicop vond plaats op zondag 10 december 1939, en werd verricht door ds. Pop van Monster. Diezelfde dag deed de jonge ds. Tukker zijn intree met de woorden uit Jesaja 64: „Och dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt.
De gemeente werd trouw door hem bearbeid. Samen met een ouderling ging hij op huisbezoek. Ds. Tukker vond dat dit werk ambtelijk moest geschieden, en dat de predikant daarom niet alleen moest gaan. Deze methode zou hij in al zijn gemeenten voortzetten. De wijze ouderling Jan de Jong werd een geestelijke vader voor hem. Ook vond hij steun bij zijn moeder, die hem nodige raad verschafte.
Na het kleine Hei- en Boeicop diende ds. Tukker Elburg, een oude Hanzestad aan de Zuiderzee. Hij werd er op 27 september 1942 door zijn vriend ds. J.J. Poot bevestigd. Elburg was een plaats waar een richtingenstrijd heerste tussen confessionelen en bonders, maar die luwde weldra. Na Elburg volgde Bleskensgraaf. Deze plaats was ds. Tukker niet onbekend. Hij bezocht er meer dan eens de bekende christin Fijgje Bons, die al bij een eerder beroep werkzaamheden gekregen had omtrent de komst van ds. Tukker.

Bleskensgraaf
In de houten noodkerk -de kerk lag door een bombardement tijdens de oorlog in puin- hield ds. Tukker op 5 mei 1946 zijn intreepreek, na door ds. Poot bevestigd te zijn. Bleskensgraaf werd door hem een strakke gereformeerde gemeente van oude stijl genoemd. Hij werd er vergeleken met zijn voorganger ds. J. van Sliedregt, die in het stuk van de rechtvaardiging een leerling van ds. I. Kievit was. Kritiek op zijn prediking bracht ds. Tukker in grote nood. Hij overwoog zelfs zijn ambt neer te leggen, maar de kerkenraad kon hem hiervan weerhouden.
Aan de herbouw van de kerk werd op verzoek van ds. Tukker in alle rust en stilte gewerkt. Op 29 september 1948 vond de ingebruikname plaats. De predikant preekte bij deze gelegenheid over de inwijding van de tempel. Een maand later, op hervormingsdag, nam hij afscheid van Bleskensgraaf, wegens vertrek naar Delft.
Het was ds. Tukker al wonderlijk dat de Heere hem in kleine gemeenten had laten arbeiden, het was hem evenzeer wonderlijk dat hij dat in grote gemeenten mocht doen. Delft, waar hij op 7 november 1948 opnieuw door ds. Poot bevestigd werd, had een hervormde gemeente met verschillende richtingen. Hij werd er de buurman van ds. P. Zandt en ds. T. Lekkerkerker. Drie jaar later kwam zijn vriend ds. Poot over naar Delft. Met hem werkte hij hartelijk samen. Op de zondagavonden werden de preken besproken. Samen reisden zij naar Schotland, om daar de predikant R.R. Sinclair te bezoeken.

Gereformeerde Bond
In 1951 werd ds. Tukker geroepen om de kerk in het bredere geheel te dienen: hij werd lid van het college Visitatoren-Generaal. In 1952 kreeg hij zitting in het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond. Na de Prinsenstad diende ds. Tukker de havenstad Rotterdam. Hij hield op 24 april 1954 in de Koninginnekerk zijn intrede. Van tevoren vroeg men zich af of hij er zou kunnen aarden, niettemin bleef ds. Tukker ook daar zichzelf.
Het besluit van de Hervormde Synode om de vrouw in het ambt toe te laten, greep bij ds. Tukker diep in. Het gerucht ging dat hij zijn kerkelijke functies zou neerleggen, hetgeen hij echter niet gedaan heeft. Hij verklaarde in een verantwoording de Hervormde Kerk nooit te zullen verlaten. Ook het overlijden van zijn moeder, op zondagavond 29 april 1956, was een grote slag voor ds. Tukker.
Na de Maasstad volgde Katwijk aan Zee, een dorp waar een felle richtingenstrijd woedde, waarin hij als visitator-generaal een bemiddelende rol vervulde. In de Nieuwe Kerk hield hij op 22 november 1959 zijn intredepreek. In Katwijk leerde hij mensen kennen die op de vissersschepen vanouds opgevoed waren bij Hellenbroek en Smijtegelt, zodat er onmiskenbaar een bevindelijke inslag was. Een aantal keren ging hij met vissers mee. Ds. Tukker genoot van het leven op zee.

Richtingenstrijd
De arbeid vond plaats in wijkgemeente Noord-Oost. Ook hier luwde de richtingenstrijd. Er werd afgesproken dat in de toekomst gezamenlijk opgetrokken zou worden bij kerkbouw en stichting van predikantsplaatsen. In Katwijk begon ds. Tukker zijn meditaties voor het Gereformeerd Weekblad te schrijven, bewerkingen van zijn preken.
Katwijk aan Zee werd verwisseld voor Zwolle, waar de predikant voor de zware opgave stond om de evangelisatie Elim te integreren in de hervormde gemeente Zwolle. Op 22 november 1964 preekte hij intree in de Grote Kerk van Zwolle. Hij kreeg een gedeelte van de binnenstad te bearbeiden. Daarnaast vielen alle hervormd-gereformeerden buiten de wijk onder zijn pastoraat. De wijkkerk was de Broerenkerk, een oude kloosterkerk, die van binnen opgeknapt werd om er diensten te kunnen houden.
Na vijftien jaar kwam een einde aan Tukkers lidmaatschap van het college van Visitatoren-Generaal. In december 1966 werd hij tweede voorzitter van de Gereformeerde Bond, vier jaar later eerste voorzitter. Hij bleef dat tot 1978. Na Zwolle diende ds. Tukker Groot-Ammers, een middelgrote gemeente aan de Lek. Hij deed er intrede op 20 april 1969. Tijdens het huisbezoek merkte hij er de sporen die zijn voorgangers hadden getrokken. Hij begeerde niets anders dan hun voetstappen te volgen. Ook hier werd de kerk gerestaureerd.

Koninklijke boodschap
Op 29 april 1974 ontving ds. Tukker uit de hand van burgemeester Boer de versierselen die horen bij het officierschap van de Orde van Oranje Nassau. De burgemeester typeerde de hervormde predikant als iemand met een profetische gestalte, een priesterlijke bewogenheid en een koninklijke boodschap.
In 1971 werd de laatste hand gelegd aan een revisie van de Statenvertaling, waarvoor het Nederlands Bijbelgenootschap een commissie had ingesteld met predikanten uit drie verschillende kerkgenootschappen. Ds. Tukker was daarvan voorzitter. Hij waardeerde het niet dat de Editie 1977, zoals de uitgave officieel heet, door veel mensen de Tukkerbijbel werd genoemd.
Op 29 september 1974 nam hij wegens emeritaat afscheid van Groot-Ammers, hij was echter niet uitgediend. Als bijstand in het pastoraat was hij vervolgens in Sirjansland, Wassenaar, Arnemuiden en Ridderkerk werkzaam. In Arnemuiden mocht ds. Tukker zijn veertigjarig ambtsjubileum vieren. In een indrukwekkende toespraak gaf hij God de eer, en noemde hij tal van zaken die hij van de kerk had ontvangen.
In Ridderkerk overleed in mei 1988 zijn (derde) huishoudster Rika Zoet. Het was sindsdien voor hem niet mogelijk om alleen te wonen. Hij verhuisde naar de Eper pastorie van zijn neef dr. C.A. Tukker. De laatste weken van zijn leven verbleef ds. W.L. Tukker in een verzorgingstehuis te Epe, waar hij op 6 december 1988 overleed. Vier dagen later vond de begrafenis te Hoek van Holland plaats. De dienst werd geleid door dr. C.A. Tukker, die preekte over Handelingen 4 vers 12.
Man van de kerk
Ds. W.L. Tukker had de kerk waarin hij was gedoopt van harte lief. Zijn persoon bond samen. Gemeenten waar kerkstrijd was, kwamen na zijn komst in rustiger vaarwater terecht. Hervormde evangelisaties wilde hij een plaats geven in de kerk, liefst door volledige integratie. Hij had daarnaast omgang met predikanten die niet tot de hervormd-gereformeerde richting behoorden, zoals de confessionele predikant W.A.B. Hagen. Vriendschappen had hij ook buiten de Hervormde Kerk. De Schotse predikant R.R. Sinclair ontmoette hij bijna jaarlijks, verder had hij goede contacten met de Hongaarse predikant Toth Kalman.
De zondag was voor hem een dag van afzondering. Naar de kerk ging hij lopend, ook als hij een tiental kilometers moest afleggen. De sabbatsrust was hem veel waard, al wilde hij anderen niets opleggen. Tijdens een reis door Zuid-Afrika, eind 1979, stapte ds. Tukker voor het eerst op zondag in de auto, omdat hij moest preken in een plaats nabij Pretoria.
Ds. W.L. Tukker was een heer. Hij was altijd gekleed in het zwart, op zijn weg door de gemeenten lichtte hij zijn hoed op voor een ieder die hij tegenkwam. Wie hem hoorde, kwam onder de indruk van wat men noemde zijn koninklijke stem. Zijn Schotse vriend Sinclair omschreef hem als „een waardige, christelijke persoonlijkheid. Ook was hij een zeer vriendelijk en beminnelijk man met betrekking tot allen in wier vriendschap hij zich verheugde. Hij was een geleerd theoloog en een echte calvinist. Maar steeds hield hij vast aan een genadevol en evangelisch aanbieden van Christus en Zijn heil aan zondaren en geheiligden; niet alleen in onze gesprekken, maar zeker ook op de preekstoel.

Terdege, 10 oktober 2001
J.P. Neven

 

Bij de Kansel van Maassluis

Bij de kansel van: Maassluis

Deel 12 van een serie over kerkendienaars en hun spreekplaatsen
Wie de Grote kerk van Maassluis noemt, denkt natuurlijk gelijk aan ket befaamde Garrelsorgel dat jarenlang bespeeld is door Feike Asma, die voor bijna iedereen in kerkelijk Nederland een begrip is. Er staat ecbter ook een kansel met veel Kistorie. Rondom Maassluis’ orgel en kansel hebben na het invoeren van de psalmberijming in 1773 zich grote drama’s voorgedaan. Dat was voor Maarten ’t Hart aanleiding om daar vrij recent een roman over te schrijven getiteld “Psalmenoproer’. En aan de voet van de kansel heeft ds. F.J. Kuyper op 3 december 1837 “j^^ ^o later beroemde en ‘beruchte’ zoon Abraham Kuyper gedoopt. Er zijn nog veel meer dingen te noemen. Redenen te over om eens wat langer naar de kansel en de kanselbeklimmers van de Grote kerk van Maassluis te kijken.

Aan de indrukwekkende kerk die speciaal voor de protestantse eredienst is gebouwd, is gewerkt van 1629 tot 1639. Financiering van de kerk vond plaats uit de belastinggelden op de visvangst. De bouw stagneerde omdat regelmatig vissersschepen door de Duinkerker kapers werden buitgemaakt en de bemanning overboord werd gezet. Uit de bouwtijd van de kerk dateert ook de kansel, die door de koster van de Oude Kerk van Delft Simon Dekker is gemaakt, die ook meubelmaker was. De deur van de kansel is voorzien van een koperen knip die Jona voorstelt die uit de vis kwam. Achter de kansel hangt een oud wandbord dat door de plaatselijke schoolmeester Daniël de Roo is vervaardigd. Psalm 122 staat daar op geschilderd. Je kunt dat op de preekstoel niet zien, maar elke predikant die de consistoriekamer verlaat komt er langs voordat hij de preekstoel beklimt.

Dat wandbord hangt daar vanwege het feit dat Johannes Fenacolius over deze Psalm preekte toen de kerk en de kansel — die hij zelf ontworpen had – in gebruik werden genomen. Maar het hangt er zeker ook vanwege de omstandigheden waaronder ds. Fenacolius dat moest doen. In de nacht voor het in gebruik nemen was namelijk de vrouw van de predikant plotseling gestorven. Ondanks het grote verdriet dat dit teweeg bracht in de pastorie was het geen reden voor de predikant om niet voor te gaan. In een overvolle kerk preekte hij voor zon tweeduizend mensen over: ‘Ik verblijd mij in degenen die tot mij zeggen: Wij zullen in het huis des Heeren gaan’. Een dag later werd in diezelfde kerk een graf voor zijn vrouw gedolven.

Vele dienaren van het woord hebben na deze gedegen contraremonstrantse predikant die in zijn spaarzame vrije tijd ook nog de ‘De Staat Gods’ van Augustinus uit het Latijn vertaalde de oude kansel beklommen. Ds. J.J.H.

Pop was één van hen. Van 1923 tot 1929 was hij predikant te Maassluis. Hij was een tweelingbroer van de in onze kringen bekendere ds. A.F.P. Pop, die in de dertiger jaren hoofdbestuurslid was van de SGP. Laatstgenoemde overleed op de dag waarop de oud-Maassluisser predikant werd begraven op 29 juni 1964-. Sommigen durfden de tweeling te vergelijken met Jacob en Ezau. Je moet maar durven…

Ook Aegidus Francken bediende vanaf de kansel van Maassluis het woord Gods van 1713 tot l743-Hij heeft destijds bij de ingebruikneming van het Garrels-orgel gesproken. Dit orgel dat de reder Van Wijn schonk werd op 4 december 1732 in gebruik genomen op de negentigste verjaardag van de schenker. De preek die Francken daarbij hield over Psalm

150:3-6 is in druk verschenen onder de titel: Heilig gebruik des orgels’. In die preek zei hij onder andere: Het orgel is er niet om daarop te spelen lichtvaardige en ijdele liederen, gelijk maar al te vaak, tot grote aanstoot van Gods volk, in ons land geschiedt. Dan was het heel wat beter geweest als de heer Govert van Wijn zijn grote som geld tot heilzamer gebruik besteed had, dan dat gij dit orgel tot hoon en ontering van Gods naam zoudt aanleggen. Want zulk een ijdel spel voldoet alleen de lust van de oren, het bezoedelt echter Gods huis.’

Aegidius Francken was zeer doorwrocht in de gereformeerde theologie en schreef ‘De stellige Godgeleerdheid’ en ‘De kern der christelijke leer’, dat vele herdrukken heeft beleefd en in vraag en antwoord op uitgebreide wijze de leer, die naar de godzaligheid is, onder de aandacht van de jeugd brengt. Het hoofdstuk ‘de raad des vredes’ dat we in zijn ‘De kern der christelijke leer’ vinden, is later toegevoegd aan het catechetische leerboekje van Hellenbroek ‘God­ delijke waarheden’ om in een lancune te voorzien.

Frappant is dat ook ds. P.J. Ressler later predikant is geweest in Maassluis en het vragenboekje van Hellenbroek verkort ging uitgeven voor de zogenaamde ‘mingeoefenden’ voor wie zelfs de verkorte Hellenbroek nog te moeilijk was.

Hij diende Maassluis van l802 tot 1827 ^ï^ was eerder in Rotterdam Kralingen een van van de direkte opvolgers van Theodorus van der Groe.

Een minder verheffende episode uit de geschiedenis rond de kansel van Maassluis is de periode na de invoering van de nieuwe psalmberijming in 1773-Geen gemeente ontkwam aan de invoering van deze bundel, die Datheen moest vervangen. Van deze berijming had Van der Groe gezegd: ‘Zij nemen de gouden vaten weg, wij hebben er zilveren voor in de plaats gekregen.’ Vooral de eenvoudige vissers en scheepstimmerlieden, die het grootste aantal kerkgangers uitmaakten, waren hier zeer ontstemd over. En toen de zalmvisserij in die dagen afnam, weet men dat aan de nieuwe berijming. Ze zeiden wel ‘dat de Salmen in de rivier zoo vermindert waren sedert men de nieuwe Salmen in de kerk zong’.

Verder dan een binnensmonds protest kwam het niet. Dit werd anders toen men in Maassluis Rotterdam wilde nadoen door de korte zangtrant in te gaan voeren.

Dat hield in dat voortaan elke eerste en laatste noot van een psalm langer werd aangehouden en de overige noten iets korter. Men zou dan uiteindelijk de psalmen iets sneller en gelijkmatiger gaan zingen. De kerkenraad, die bestond uit reders, was voorstander maar de eenvoudige gemeenteleden waren er wars van. Ze noemden die manier van zingen ‘afgodisch’ en ‘paaps’ en in een vlugschrift werden deze gezongen psalmen vergleken met liederen voor de dans en de comedie. Ze dreigden het orgel te vernielen en de predikant van de preekstoel af te trekken. Het is de predikanten Daniël van Sprang en Kornelis van Waenen een paar keer onmogelijk gemaakt hun kanselwerk af te maken, doordat men spontaan op langzame wijze de psalmen van Datheen aanhief. Zelfs is de voorzanger Oubouter zodanig aangerand dat hij meer dood dan levend opgeraapt moest worden. Zijn huis met inboedel werd geruïneerd. Verschillende raddraaiers zijn daarna veroordeeld tot jarenlange ballingschap. Of de vreze des Heeren toonaangevend was bij deze gemeenteleden waag ik te betwijfelen. Wanneer gezien was op het opschrift van het klankbord boven de kansel zou zeker geen geweld zijn toegepast. Want daar staat geschreven: ‘En de Heere zeide: Zalig zijn degenen die Gods Woord horen en dat bewaren.’

Oude Paden, 1 maart 2007
Ds. M. van Kooten 

 

Overlijden van vader van ds Geselschap

Ds. W. J. Geselschap.

Op 81-jarigen leeftijd is te Amsterdam overleden, de emeritus-predikant Ds. W. J. Geselschap, die 23 jaren de Herv. Gemeente daar ter stede gediend heeft. De overledene was zeer geliefd en stond hoog in aanzien, zoowel bij de gemeente als bij zijn collega’s.

Ds. Geselschap, die in 1855 het predikambt aanvaardde, stond achtereenvolgens te IJselmuiden, Aalburg, Heemstede, voor de 2e maal te IJselmuiden, Delfshaven, Reitsum, Rotterdam en Amsterdam.

In Juni 1904 werd hij emeritus.

Begrafenis

Ds. W. J. Geselschap. Op het kerkhof te Muiderberg heeft Zaterdag de begrafenis plaats gehad van den em.-pred. der Herv. Kerk, Ds. W. J. Geselschap. Namens de Amsterdamsche gemeente Sprak aan de groeve Ds. C. J. Lammerink, die in dankbare herinnering bracht wat de overledene gedurende 23 jaren voor de gemeente was geweest, en ook na zijn emeritaat nog voor haar deed. Vervolgens sprak Ds. P. C. van der Horst als vriend, de heeren D. S. Paling en A. T. van Wichen, eerstgenoemde in het bijzonder voor Wijk XV.

De zoon van den overledene, Ds. J. H. Geselschap, predikant te Vaassen, dankte voor de eer zijn vader bewezen.

De Waarheidsvriend, 14 april 1911

 

Dhr Maatjes bedankt voor aanstelling in Delft

VAASSEN. Het was voor de Herv. Gem. van Vaassen Zondagmorgen een stonde van groote blijdschap. Wat toch was het geval? Wel, de heer Maatjes, hoofd onzer Christ. School, had zonder sollicitatie van zijn kant een benoeming ontvangen als hoofd eener groote school te Delft. Velen dachten : nu zullen we ons Hoofd moeten missen. En ziet. Zondagmorgen mocht Ds. Pop ons verblijden met de mededeeling, dat naar Delft ’n bedankje was gezonden.

Vanaf den kansel bedankte Ds. Pop het Hoofd voor zijn besluit. Z.Ew. sprak daarbij de hoop uit, dat de Heere hem nog maar vele jaren in Vaassen doe blijven – en liet de gemeente zingen Psalm 134 vs. 3.

Stelle de Heere meester Maatjes maar velen ten zegen, en mogen ons Hoofd en onze Dominé nog maar langen tijd te zamen werken, tot opbouw van het Sion Gods, tot vertroosting van dat volk des Heeren dat ook nog in Vaassen is.

De Waarheidsvriend, 5 februari 1926

 

Kerkelijke Rondschouw (2)

KERKELIJKE RONDSCHOUW

De Walen (2)

Prof. Brouwer gaat in het Algemeen Weekblad voor Christendom en Cultuur dan op de volgende wijze verder :

„In 1817 (en later weer in 1843) is er een Koninklijk Besluit uitgevaardigd, waarbij aan een deel der Kleine Waalsche gemeenten voortaan haar zelfstandigheid werd ontnomen ; in plaatsen van minder dan 10.000 inwoners moesten zij zich met de Hervormde Kerken vereenigen. Hiertegen is nooit door de Walen geprotesteerd op grond van contractbreuk of van federatieve rechten. Zij wisten wel beter. De actie na het Besluit van 1843 is alleen gevoerd op grond van het artikel in de grondwet, waarbij aan de bestaande gemeenten de toegestane rijks tractementen verzekerd bleven.

Doch — is het toch geen gebrek aan piëteit, de Walen nu tot een classicaal ressort terug te brengen ?

Ook dit is wel iets anders, dan het oppervlakkig lijkt. De oude Waalsche gemeenten van de 16de eeuw zijn in den loop der 17de eeuw weggeslonken. Zij werden allengs opgenomen in het Nederlandsche Kerk verband door huwelijk, taalverlies, enz. Zij zouden wellicht geheel verdwenen zijn, wanneer niet aan het einde der 17de eeuw vele Fransche refugees de Waalsche gemeenten tot nieuwen bloei hadden gebracht. Dezen kan men moeilijk rekenen tot de „moederkerk”, eens door de Walen gevormd. Het is toch niet oneerbiedig, ‘hen als gasten te betitelen. Maar ook de op deze wijze versterkte Fransche gemeenten zijn in de 18de eeuw allengs sterk achteruit gegaan. Ab Utrecht Dresselhuis schrijft dit toe niet alleen aan een proces van verdietsching dier gemeenten, maar ook aan den invloed van Franschen rationalistischen geest, die in deze kringen sterker dan eldters, de belangstelling voor het kerkelijk leven heeft gedoofd. De Revolutie-tijd met zijn zucht tot nivelleeren en vereenigen, was hun niet gunstig. Steeds meer ging hun getal en hun beteekenis achteruit. Dat zij in de 19e eeuw niet nog veel sterker verminderd zijn, ligt aan twee oorzaken : eerstens voegden zich bij de Waalsche gemeenten dikwijls de aanzienlijke families ; niet omdat zij Waalsch van afkomst waren, maar omdat het gekleed stond, lid van de Waalsche gemeente te zijn ; in de tweede plaats ging menig vrijzinnige om de vrijzinnigheid over tot de Waalsche gemeente (al is massa-overgang om deze reden door de Kerkbesturen gestuit). De predikanten van de Waalsche gemeenten waren dikwijls zuivere Franschen, zooals in den grooten oorlog gebleken is, toen eenigen hunner naar Frankrijk werden opgeroepen, om hun dienstplicht te vervullen.

Alles bij elkaar genomen, is het moeilijk vol te houden, dat de Waalsche gemeenten nog steeds het roemrijk overblijfsel vormen van onze met piëteit en dankbaarheid te eeren moederkerk. Dit is maar tot op een zeer geringe hoogte waar. En dan is het de vraag, of men niet genoeig piëteit bewijst, wanneer men aan de Waalsche gemeenten haar volledige zelfstandigheid Iaat, maar hen terugbrengt tot de bevoegdheden van een classicaal ressort ?

Maar — zoo is verder gezegd — dan bemoeit men zich toch met hun aangelegenheden.

Doch, dit is maar zeer betrekkelijk. Alleen wanneer er moeilijkheden zijn in de Classis, kan het Provinciaal Kerkbestuur zich daarmee bemoeien. Wanneer men de moeilijkheden onder elkaar uitmaakt, blijft het Provinciaal Kerkbestuur er buiten”.

Tot zóóver prof. Brouwer.

Wij hopen, dat men, ook in de Provinciale Kerkbesturen, naar deze argumentatie van den kerkdijken hoogleeraar zal willen luisteren. Temeer, waar, in ander verband, prof. Obbink zoo ernstig weet te zeggen, dat men in onze Hervormde Kerk veel te veel alles maar bij ’t oude wil laten „omdat het al zoo lang zoo geweest is”.

aan­ Zal men het „nieuwe” eindelijk durven ?

De volharding der heiligen. 2)

Uit onze Belijdenisschriften.

Wat duidelijk, teer en tegelijk hoogst ernstig spreken de D o ir d t s c h e Leerregels over de zonden der geloovigen. Waar schuwend, omdat zij verantwoordelijk zijn. Vertroostend, omdat God niet laat varen de werken Zijner handen en trouwe houdt tot in eeuwigheid.

Het voornemen Gods, dat naar de verkiezing is, blijft vast !

var-Dat beschrijven de Leerregels der in Hoofdstuk V :

7. Want, eerstelijk, in zulk vallen bewaart Hij nog in hen (dat zijn : de geloovigen, die in Christus Jezus zijn, doch zwaarlijk kunnen zondigen en ook inderdaad soms gruwel bedrijven) dit onverderfelijk zaad, waaruit zij wedergeboren zijn, opdat hec niet verga, noch uitgeworpen worde. Ten andere vernieuwt Hij hen zeker en krachtig door Zijn Woord en Zijn Geest tot bekeering, opdat zij over de bedreven zonden van harte en naar God bedroefd zijn ; vergeving in !het bloed des Middelaars door het geloof met een verbroken hart begeeren en verkrijgen ; de genade van God, die nu met hen verzoend is, wederom gevoelen ; zijne ontfermingen en trouw aanbidden ; en voortaan hunne zaligheid met vreeze en beven des te naarstiger werken.

8. Zoo bekomen zij dan, niet door hunne verdiensten of krachten, maar uit de genadige barmhartigheid Gods, dat zij noch geheel van het geloof en de genade uitvallen, noch ten einde toe in den val blijven en verloren gaan ; het welk, zooveel hun aangaat, niet alleen gemakkelijk zou • kunnen gesdhieden, maar ook o n g e-t w ij f e 1 d geschieden zou. Echter, ten aanzien van God, kan het ganschelijk ni«t geschieden, dewijl noch Zijn raad veranderd, noch Zijne belofte gebroken, noch de roeping naar Zijn voornemen herroepen, noch de verdienste en voorbidding en bewairing van Christus krachteloos gemaakt, noch de verzegeling des Heiligen Geestes verijdeld of vernietigd kan worden.

9. Van deze bewaring der uitverkorenen tot de zaligheid en van de volharding der ware geloovigen in het geloof, kunnen de geloovigen zelven verzekerd zijn, en zij zijn het ook naar de mate des geloofs, waarmede zij zekerlijk gelooven, dat zij zijn en altijd blijven zullen ware en levende leden der Kerk, dat zij hebben vergeving der zonden en het eeuwige leven.

10. En deze verzekerdheid spruit nu niet voort uit eenige bizondere openbaring, zonder het Woord of buiten het Woord geschied, maar komt voort uit het geloof aan de beloften Gods, die H ij in Z ij n Woord zeer overvloedig t o t o n z e n troost geopenbaard heeft; uit het g e-t u i g e n i s des Heiligen G e e s-t e s, die met ónzen geest getuigt, dat wij kinderen en erfgenamen Gods zijn ; eindelijk, uit de ernstige en heilige oefening van eene goede consciëntie en van goede werken. En zoo de uitverkorenen Gods in deze wereld dezen vasten troost niet hadden, dat zij de overwinning behouden zullen, mitsgaders dit onbedriegelijk pand der eeu-•wige heerlijkheid, zou zouden zij de ellendigste van alle mensöhen zijn !

11. Ondertusschen getuigt de Schrift, dat de geloovigen in dit leven tegen onderscheidene twijfelingen des vleesches in strijd liggen en, in zware aanvechting gesteld zijnde, dit volle betrouwen des geloofs en deze zekerheid der volharding niet altijd gevoelen. Maar God, de Vader aller vertroosting, laat hen boven hetgeen zij vermogen, niet verzocht worden, doch geeft met de verzoeking óók de uitkomst; en wekt in hen de v e r z e ke rd h e i d der volharding door den Heiligen Geest wederom op.

12.Zcó verre is het er echter vandaan, dat deze verzekeirdheid der volharding de ware geloovigen hoovaardig en vleeschelijk zorgeloos zoude maken, dat zij integendeel een ware wortel is van nederigheid, kinderlijke vreeze, ware godzaligheid, lijdzaamheid in allen strijd, vurige gebeden, standvastigheid in het kruis en in de belijdenis der waarheid, mitsgaders van vaste ‘blijdschap in God. En de overdenking van die weldaad is hun een prikkel tot ernstige en gedurige betrachting van dankbaarheid en goede werken, gelijk uit de getuigenissen der Schrift en de voorbeelden der heiligen blijkt.

13. Wanneer dan ook het vertrouwen der volharding wederom gaat leven in degenen, die van den val weder opgericht worden, zoo brengt dat in hen niet eenige dartelheid of veronachtzaming der godzaligheid voort, maar juist een veel grootere zorg om de wegen des Heeren, die van te voren bereid zijn, vlijtig waar te nemen, opdat zij, daarin wandelende, de verzeker dh eid van hunne volharding zouden mogen behouden en het aanschijn des verzoenden Gods (welks aanschouwing den godvruchtigen zoeter is dan het leven en welks v e r b e ir g i n g bitterder js dan de dood) van wege het misbruik van Zijne vaderlijke goedertierenheid, niet wederom van hen afgekeerd worde en zij alzoo in zwaarder kwellingen des gemoeds vervallen.

14. Gelijk het God nu’ beliefd heeft dit Zijn werk der geriade’^oor de prediking des Evangelies in óns lè beginnen, alzoo bewaart, achtervolgt en volbrengt Hij het dooir het hooren, lezen en overleggen daarvan, mitsgaders door vermaningen, bedreigingen, beloften, en het gebruik der heilige Sacramenten.

15. Deze leer van de Volharding der ware geloovigen en heiligen, mitsgaders de leer van d e z e-k e r h e i d dezer Volharding, welke God tot eere Zijns Naams en tot troost der godvruchtige zielen in Zijn Woord zéér overvloedig geopenbaard heeft en in de harten der geloovigen indrukt, wordt wel van het vleesch niet begrepen, wordt van den satan gehaat, van de wereld bespot, van de onervarenen en schijnheiligen misbruikt en van de dwaal geesten bestreden, maar de Bruid van Christus heeft haar altijd als een schat van onwaardeerbaren prijs zeer teer – bemind en standvastig verdedigd. En dat zij dit ook voortaan doen zal, daarvoor zal God zorgen, waartegen geen raadslag geldt, noch eenig geweld iets vermag. Dies zij den eenigen God, Vader, Zoon en Heiligen Geest, eere en heerlijkheid in eeuwigheid. Amen.

* Waar de Vacatures zitten.

Verleden week schreven we, dat we zoo ongeveer 214 geref. predikantsplaatsen helbben. Dus niet 214 geref. gemeenten, maar 214 geref. prediliantsplaatsen. In de eene gcrnccntc (en ‘Ual d^ii naluurlijk .de mcco te) staat er één geref. predikant, maar in Oldebroek zijn er twee, in Rotterdam zijn er drie, enz.

Van die 214 geref. predikantsplaatsen (’t getal is niet precies te noemen, omdat de een, bij grensigevaUen, zal zeggen ’t is wèl „gereformeerd”, terwijl de ander zal zeggen ’t is niet „gereformeerd”) zijn er 71 vacant. Dat is verschrikkelijk veel.

En ’t engste is, dat we geen dominé’s, geen candidaten höbben, om dat groot aantal vacante gemeenten te helpen.

Want of Arnemuiden haar dominé al afstaat aan Soest (wat bovendien een „nieuwe” predikantsplaats is) en Wouterswoude aan Sluipwijk en straks Rijnsaterwoude aan , dat ‘helpt niet veel voor het aantal vacatures.

We moesten méér dominé’s, we moesten méér candidaten, we moesten méér studenten hebben !

Dat is de zaak waarop ’t aankomt !

En dan voor ja voor ruim zeventig vacante gemetenten 1!

Waar die vacatures zijn ?

In de classis Arnhem (iwe volgen Van Alphen’s Handboek) was Hoevelaken vacant. Maar Ede heeft ds. Van Boven aan Hoevelaken moeten afstaan en nu is Hoevelaken voorzien, maar één predikantsplaats te Ede is open.

Zoo wisselt het elk oogenblik !

In de classis Nijmegen was Heteren en R a n d w ij k vacanit, maar ds. Keek vertrok van Gandereii’ naar Heteren en dus blijft één vacature. •’

In de classis Zutphen hebben we geen gereformeerde gemeenten (zooals wij althans het woord „gereformeerd” gebruiken) en dus ook geen vacature.

In de dlassis Tiel hebben we als geref. gemeenten : IJzendoorn, Kesteren, Lienden en Opheusden, waarvan Kesteren vacant is door het vertrek van ds. Dekking naar Bergambacht, terwijl Opheusden vacant was, maar weer is vervuld door de overkomst van ds. Bus, van Aalburg. ‘Hier dus één vacature.

In de classis Bommel tellen we als geref. gemeenten : Aalst, Brake 1, Bruchem, Gameren, iHedel, Poederoijen, Z u i 1 i-chem en Heilouw. Hiervan zijn: Aalst, Braikel, Gameren en Zuillchem vacant ; dat is dus vier.

Dan krijgen we de classis Harderwijk (we werken eerst de provincie Gelderland af) met de geref. gemeenten : Barneveld, Elspeet, Ermelo, G, a r d e r e , n, Harde .rw ij k (2 van de 3 pfedikantsplaatsen), Koot wijk, N ij kerk (1 van de 3 predikantsplaatsen), Putten, Voorthuizen, Doornspijk, E1 b u r g. Ernst, H a 11 e m, O e n e, Oldebroek, Oosterwolde, Vaassen, Wapenvelde en Wezep. Ook H i e r d e n misschien ? Dat zijn dus 19 of 20 gemeenten met 25 a 26 predikanten. Maar daar zijn 8 a 9 vacante predikantsplaatsen. ‘<

Nemen we dus de provincie Gelderland in haar geheel, dan krijgen we 15 a 16 vacante geref. predikantsplaatsen.

Wie helpt hier ? !

(Wordt voortgezet).; ‘

* I De Vrijzinnigen ;

en het Bijzonder Onderwijs. ; Een prachtig pleidooi voor het Bijzonder Onderwijs is gegeven in Den Haag door d e Federatie van V r ij z i n n i g e Pro-] testanten, die het initiatief heeft geno-‘ men tot de stichting van een V r ij z i n n i g .

C h r i s t e 1 ij k Lyceum aldaar. In een brochure „Een Vrijzinnig-Christelijk Lyceum” zet zij (zoo lezen we in , , De Rotterdammer”) de motieven, die haar daar

toe leiden, uiteen. „Krachtens zijn onsectarisch karakter” — zoo wordt in die brochure gezegd — „heeft het Vrijzinnig – Protestantisme zich nauw verwant gevoeld met het oude liberale streven ten ibate van het Openbare Onderwijs. Maar verder wordt de volgende beteekenisvolle uitspraak gedaan : „De gedachte over het z.g.n. neutrale onderwijs wijzigt zich en meer en meer wordt begrepen dat de school als opvoedingsinstituut onmogelijk neutraal kan zijn. Alleen wanneer de school niet meer was dan een instelling voor het verzamelen van een dosis feitenkennis, zou zij als neutraal instituut te verdedigen zijn. De praktijk wijst gelukkig uit, dat de school méér is. Een groot deel van hun dag “brengen onze groote kinderen door binnen de schoolmuren, juist op den tijd, waarin hun geestelijke behoeften wakker worden en waarin hun persoonlijkheid naar een eigen gestalte zoekt. Van het grootste belang zal dan voor hen zijn de sfeer, ‘waarin zij in school en huis worden opgevoed en de persoonlijkheid van hen, die aan die opvoeding medewerken”. h b p

In een slotwoord wordt erkentelijkheid uitgesproken voor het zeer waardevolle werk, dat op so’mmige scholen en door verscheidene godsdienstige leerkrachten hier en daar geschiedt. „Maar we zijn er van overtuigd” — zoo wordt verder gezegd — „dat onze tijd toch meer vraagt en dat het vrijzinnig-protestantisme al te lang concessies heeft gedaan aan de verlangens van de niet-godsdienstigen. Evenzeer als andere scholen, ook de bijzondere – neutrale, hun eigen karakter hebben, hebben wij dat. En het toonen en willen handhaven van eigen karakter, wil toch niet alleen zeggen secicirioch-a-ijn. Wil moti lo-dcro ec-hool mei Q& n eigen karakter een secte – school noemen, dan is ons dat om het even”.

Tot zoover de brochure vanwege de Federatie van Vrijzinnige Protestanten te Den Haag.

Ze geeft een uitnemend pleidooi voor het Bijzonder Onderwijs.

Vrijzinnigen kunnen hier nog wat van eigen geestverwanten leeren.

Zóó moet het worden : „De Bijzondere School regel, de Openbare School aanvulling” !

En dan voor óns „de Bijzondere School” als school, uitgaande van de oudere en als School met den Bijbel

Dat zij in staid en dorp meer en meci onze leuze !

De Waarheidsvriend, 14 oktober 1927

 

Ds Van der Zee werkt mee aan de christelijke encyclopedie

Christelijke Encyclopedie,
Deel VI, Supplement en Register.
Uitgave : J. H. Kok te Kampen.

Vijf kloeke deelen waren verschenen en daarmee Was het werk af. Maar ja — wanneer is een werk af ? En vooral : wanneer is een Encyclopaedic af ? Natuurlijk nooit. Want het leven gaat voort, er komen telkens nieuwe dingen en in een Encyclopaedie zijn ook wel eens dingen vergeten. Zoodat van ’t geen was en van ’t geen kwam wel weer een nieuw deel te maken is. De Uitgever Kok te Kampen en de redacteuren van deze Christelijke Encyclopsedie hebben ons dan nu een 6de deel thuis gezonden, waarin allerlei merkwaardige en wetenswaardige dingen staan en een volledig, uitvoerig, overzichtelijk Register van héél het werk met alle onderwerpen, is er bij gevoegd, zoodat ’t 6e deel een zeer belangrijk deel van de Encyclopsedie is geworden. Het verheugt ons dat ds. G, v. d. Zee, van Vaassen, intusschen ook in de redactie is opgenomen en aan hem hebben we dan ook te danken de artikelen over onderwerpen, die nauw met de Herv. Kerk in verband staan, zoo b.v. de Gereform. Bond (bladz. 187— .188), de Raad van Beheer (bladz. 361—362 ; Richtingen in de Ned. HervormdeKerk (bladz. 366) ; Rijkstractement (bladz. 367) ; Bond van Ned. Hervormde Jongelingsvereenigingen op Gereformeerden grondslag ; Bond van Ned. Hervormde Knapenvereenigingen op Gereformeerden grondslag; Bond van Ned. Hervormde Meisjesvereenigingen op Gereformeerden grondslag (bladz. 81— 82). We zagen. ook, van de hand van dr. RuUmann een artikel over wijlen ds. M. Jongebreur.

Waar dit deel van de Christelijke Encyclopsedie van zoo’n buitengewoon uitgebreid Register is voorzien, is dit boekwerk een ideaal-opslagboek geworden, dat, wanneer men iets weten wil, zelden in den steek laat. Dat het Register een ruimte van bladz. 473—720, in drie kolommen gedrukt, beslaat, is bewijs dat er in deze Christelijke Encyclopsedie reusachtig veel verwerkt is. Wij bevelen dit 6-deelig, keurig en stevig gebonden standaardwerk zeer hartelijk aan. De redacteuren en de Uitgever hebben den dank van duizenden verdiend.

De Waarheidsvriend, 18 september 1931

 

Het Bestuur en de Inrichting der Nederlandsche Hervormde Kerk

Door ds. C. Heemskerk, Ned. Herv. pred. te Dordrecht.
Uitgave: C. Morks Cz., Dordrecht.

In „De Zondagsbode”, bijblad van het Predikbeurtenblad van Dordt, heeft ds. Heemskerk een artikelenreeks verzorgd, om daarin te schrijven over „Het Bestuur en de Inrichting der Nederiandsche Hervormde Kerk”. Ds. Heemskerk, die voorzitter is van het Classicaal Bestuur van Dordt en daardoor al jaren midden in de practijk van ons kerkelijk leven zit en bovendien reeds meer dan 30 jaar predikant is, heeft een goed werk gedaan om deze artikelen te schrijven, maar ook om deze beschouwingen nu gebundeld in een boekwerk ons voor te leggen, daarbij gesteund door den uitgever van het Dordtsche Predikbeurtenblad, den heer C. Morks.

De schrijver wist, dat er bij vele, overigens belangstellende gemeenteleden, een schromelijke onkunde gevonden wordt inzake ’t Ned. Hervormd Kerkrecht en het bestuur en de inrichting der Ned. Hervormde Kerk. Ook bij vele kerkeraadsleden, leden van het kiescollege enz. Hij heeft nu getracht op zeer populaire wijze, als pratende met z’n lezers, hierin een handleiding te geven en het komt ons voor, dat we met dit boek zeker wat gewonnen hebben.

Na een Inleiding (blz. 3—8) wordt een uiteenzetting gegeven rakende den kerkeraad bladz. 8—153, terwijl dan op bladz. 153 een beschouvring aanvangt waarboven staat : Het Classicaal Bestuur. Op bladz. 184 lezen we : Einde van het eerste deel.

Het werk is dus nog niet af. Maar het is toch goed, dat schrijver en uitgever maar niet gewacht hebben met de uitgave. We hebben nu al vast het begin.

Op bladz. 4 komt een oriënteering, om hetgeen verder volgt des te gemakkelijker te verstaan. Art. 1 Algemeen Reglement wordt dan belicht, om te weten te komen hoe de eigenlijke ‘naam van de Kerk is en wie tot de Kerk behooren. Het gaat over de Hervormde Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden ; en die Nederiandsche Hervormde Kerk bestaat uit gemeenten ; uit plaatselijke kerken of gemeenten. Amsterdam, Paessens, Dordt, Cadzand, Arnhem,Vaassen, Groningen, Aalsmeer enz., ongeveer 1500 plaatselijke kerken of gemeenten. Vóór 1816 lag de eenheid der „Gereformeerde Kerk” of „Gereformeerde Kerken” meer in het gemeenschappelijk geloof, by de meer zelfstandigheid van de plaatselijke kerken ; sinds 1816 is er door het Synodaal Reglement een meer organische éénheid gekomen.

De Nederiandsche Hervormde Kerk bestaat dus thans — of men het goed vindt of niet — uit al de Hervormde gem.eenten in het Koninkrijk der Nederlanden. (Art. 1 Algemeen Reglement).

Daartoe worden ook gerekend de Waalsche, Fransch sprekende gemeenten, Presbyteriaansch-Engelsche en Schotsche (16 Waalsche, 1 Engelsche, 1 Schotsche).

De Kerk als geheel genomen heet de Nederiandsche — de plaatselijke gemeente Nederduitsche (men kan in dezelfde stad twee gemeenten hebben : de Nederduitsch Hervormde en de Waalsch-Hervormde gemeente).

Art. 2 zegt ons wie tot elke bijzondere, plaatselijke gemeente behooren. Er zijn feitelijk drie rubrieken : de belijdende leden — de doopleden — en die door geboorte uit Hervormde ouders of door den overgang hunner ouders tot de Hervormde Kerk gerekend worden.

Als zoo beantwoord zijn de vragen : 1. hoe onze Kerk heet en 2. wie tot haar behooren — wordt gesproken over:1. De kerkeraden, 2. De Classicale Besturen en Provinciale Kerkbesturen ; 3. De Synode ; waar bij art. 4 Algem. Reglement gevolgd wordt. Dat zegt: et Bestuur der Nederl. Hervormde Kerk wordt uitgeoefend : 1. over de gemeenten door Kerkeraden; 2. over meer gemeenten, vereenigd, door Classicale Besturen en Provinciale Kerkbesturen ; 3. over de gemeenten tezamen door de Synode. Eerst over den Kerkeraad dus. Allerlei vragen komen hier vanzelf aan de orde. Hoe komt zulk een Kerkeraad er ? Uit welke leden bestaat hij, hoeveel leden ? Wat is de taak van den Kerkeraad ? Al deze vragen en nog tal van andere worden beantwoord door het meergenoemde Algemeen Reglement, het Synodaal Reglement voor

de Kerkeraden ; het Synodaal Reglement voor de benoemingen, enz.

In elke gemeente is een Kerkeraad, die haar vertegenwoordigt en bestuurt — tenzij dat het Classicaal Bestuur optreedt „om te doen wat des Kerkeraads is”.

De Kerkeraad bestaat minstens uit één predikant, twee ouderlingen en twee diakenen — behoudens zéér bijzondere gevallen, door het Classicaal Bestuur te beoordeelen. Er mogen niet meer diakenen zijn (een brandende kwestie) dan ouderlingen. (Een „combinatie” van twee of meer gemeenten is mogelijk, iedere gemeente met een eigen Kerkeraad). Hoe worden die predikanten, ouderlingen en diakenen nu lid van den Kerkeraad ?

Dan moet eerst gesproken worden over de beroeping van predikanten en daarna over de benoeming van ouderlingen en diakenen.

Een advocaat vestigt zich, een dokter neemt de practijk over, een onderwijzer solliciteert en wordt benoemd, een manufacturier opent een zaak, enz. Maar een predikant doet noch het een, noch het ander. Een predikant kan nergens predikant worden of hij moet langs wettigen weg beroepen worden.

De wijze van beroepen is ook niet in iedere gemeente hetzelfde. Er zit nog al héél wat aan het beroepingswerk vast. Het verschil dateert vooral sedert 1867, toen het „Synodaal Reglement op de benoeming van ouderlingen en diakenen en de beroeping van predikanten” in werking trad (1 Maart 1867). Een nieuw Reglement is, ter vervanging van dit eerstgenoemde, in werking getreden 1 Januari 1919. (Dat eerst over de benoeming van ouderlingen enz. en daarna over de beroeping van predikanten gesproken wordt, vindt z’n oorzaak hier in, dat er eerst kerkeraadsleden moeten zijn wil het beroepingswerk mogelijk zijn).

Vóór 1867 geschiedde de beroeping van predikanten, behoudens de rechten van derden (collatie-rechten enz.) door den Kerkeraad. Dit geschiedt nu nog wel eens, maar steeds nu als gevolg van de door de stemgerechtigde lidmaten gehouden stemming over de vraag : Kerkeraad—Kiescollege ? Over de vraag : Gemeente, wilt gij zelf benoemen en beroepen, of draagt gij dit op aan den Kerkeraad ? Om de 10 jaar (vóór 1 Maart) wordt de gemeente opgeroepen om daarover een beslissing te nemen. Bij staking van stemmen blijft de bestaande toestand.

Als de gemeente het zelf wil doen — hoe doet de gemeente dit dan ?

Dat hangt weer af van de grootte der gemeente ; of beter gezegd : van het getal stemgerechtigde lidmaten. Enz. enz.

Over veel en velerlei schrijft ds. Heemskerk — want met bovenstaand resumé zijn we pas gekomen tot bladz. 12 van het boek — en er zijn 184 bladz.

Men zal goed doen om dit boek zelf aan te schaffen en het eens rustig te bestudeeren. Men zal er geen spijt van hebben.

De Waarheidsvriend, 12 november 1931

 

Kerkelijke rondschouw (Gereformeerde gemeenten)

Aan de hand van verschillende gegevens, van alle kanten ons verstrekt, onder bekwame leiding van ds. G. van der Zee, destijds predikant te Den Bommel, nu te Vaassen (Geld.), kunnen we zeggen, dat er 1644 predikantsplaatsen zijn in onze Hervormde Kerk, waarvan (ongeveer) 477 behooren tot de Moderne richting (Evangelischen mee inbegrepen), 502 Ethisch, 451 Confessioneel en 214 Gereformeerd (ongeveer !)

Daarvan waren indertijd 100 Moderne, 42 Ethische, 61 Confessioneele en 71 Gereformeerde vacant. Zoodat er 1370 dienst doende predikanten waren : 377 Modernen, 460 Ethischen, 390 Cónfessioneelen en 143 Gereformeerden.

Nu zijn niet alle Gereformeerde predikanten helaas Gereformeerde Bonders. De sympathie bij allen is niet dezelfde. Er is bij velen onverschilligheid ten opzichte van den Gereformeerden Bond. Ze laten zich aan den Gereformeerden Bond niets gelegen liggen. Ook zijn er helaas! die bepaalde tegenstanders van den Gereformeerden Bond zijn, niet alleen niet medewerkende, maar zelfs tegenwerkende.

Om de waarheid getrouw te zijn en de werkelijkheid bloot te leggen, moeten we dit eerlijkheidshalve bekennen.

Waar de Gereformeerde Bond tracht een band te leggen tusschen alle Gereformeerde predikanten en alle Gereformeerde kerkeraden, is ons dat nooit volkomen gelukt. Soms is er een strijd om beuzelingen, die de hoofdzaak uit het oog doet verliezen. Zelfs in deze ernstige tijden kan men er niet toe komen om den broederband te leggen en te sterken.

Soms ook is er principieel bezwaar, omdat men van geheel andere beginselen uitgaat en het vele werk en den veelszins nuttigen, opbouwenden arbeid van den Gereformeerden Bond, b.v. door het Studiefonds en den Evangelisatiearbeid in moderne gemeenten (onze verschillende Evangelisatie-posten, vooral in het Noorden) steunt men niet. Men trekt liever de handen af en laat anderen dan maar alleen werken.

Ook is het soms niet bepaald, dat men principieele bezwaren heeft, maar de laksheid en de onbroederlijke zin veroorzaken, dat men zich niets van de dingen aantrekt en z’n schuldigen plicht in deze nalaat.

De verschillende Provinciën nagaand en beginnend bij Gelderland (aan de hand van de officieele kerkelijke indeeling) kunnen we als Gereformeerde gemeenten en Gereformeerde predikantsplaatsen (bij benadering en dus altijd hier en daar wat onzeker) noemen :

GELDERLAND. Classis Arnhem : Beimekom. Ede (2 pred. pi.), Hoevelaken, Lunteren, Otterloo, Renkum, Wageningen (1 van de 3 pred. pi.).

Classis Nijmegen : Heteren, Zetten-Andelst. Randwijk,

Classis Tiel : IJzendoorn, Kesteren, Lienden, Opheusden.

Classis Bommel : Aalst, Brakel, Bruchem, Gameren, Hedel, Poederooijen, Zuilichem, Hellouw. •

Classis Harderwijk : Barneveld (2 pred. pi.)., Elspeet, Ermelo, Garderen, Harderwijk (1 pred. pi.), Kootwijk, Nijkerk (1 pr. pi.). Putten (2 pred. pi.), Voorthuizen, Doornspijk, Elburg (1 pred. pi.), Emst, Oldebroek (2 pred. pi., 1 vac), Oosterwolde, Vaassen, Wapenveld, Wezep, Hattem (1 pred. pi.), Oene.

ZUID-HOLLAND. Classis Den Haag : Den Haag (1 pred. pi.). Delft (3 pred. pi.). Monster.

Classis Rotterdam : Rotterdam (3 pred. pi.), Delfshaven (2 pred. pi.), Vlaardingen (2 pred. pL), Bergschenhoek, Bleiswijk, Kralingen (1 pred. pi.), Moercapelle, Chai*lois (1 pred. pi.), Feijenoord (1 pred. pi.). Classis Leiden: Leiden (1 pred. pi.), Benthuizen. Bodegraven, Ter Aar, Noorden, Rijnzaterwoude.

Classis Dordt: Dordrecht (2 pred. pi.). Ridderkerk, Nieuw Beijerland, Oud Beij erland (2 pred. pi.), Puttershoek, Zuid Beijer land, Bleskensgraaf, Goudriaan-Ottoland, Nieuw Lekkerland, Oud-Alblas, Papendrecht. Wijngaarden, Giessendam, Giessen-Nieuwkerk, Gorcum (1 pred. pi.), Hoog-Blokland, Hoornaar, Schelluinen, Spijk.

Classis Gouda : Oudewater, Reeuwijk, Sluipwijk, Waarder, Waddingsveen, Bergambacht, Gouderak, Krimpen a. d. Lek, Ouderkerk a. d. IJssel, Schoonhoven (2 pr. pi.), Willige-Langerak, Ameide en Tienhoven, Groot-Ammers, Hagestein, Hei-en Boeicop, Langerak a.d Lek, Lexmond, Nieuw poort, Noordeloos, Asperen, Leerbroek, Leer dam (2 pred. pi., 1 vac), Oosterwijk, Schoonrewoerd, Zijderveld.

Classis Brielle : Den Bommel, Dirksland, Goeree, Herkingen, Middelharnis, Nieuwe-Tonge, Ooltgensplaat, Ouddorp, Sommelsdijk, Stellendam.

NOORD-HOLLAND. Classis Amsterdam : Amsterdam (1 pred. pi.). Huizen (3 pred. pL, 1 vac). Muiden, Hilversum (1 pr. pi.). ZEELAND. Classis Middelburg: Arnemuiden.

Classis Zierikzee: St. Annaland, St. Maartensdijk, Oud-Vosmeer, Poortvliet, Tholen.

UTRECHT. Classis Utrecht: Utrecht (2 pred. pi.). Benschop, Jaarsveld, Linschoten, Lopik, Montfoort, Polsbroek, IJsselstein, Kamerik, Kockengen, Ter Aa, Mijdrecht, Vinkeveen, Wilnis, Zegveld, Vreeswijk.

Classis, Amersfoort: Amersfoort (1 pred.

pi.), Baarn (1 pred. pi.), Eemnes-Buiten, Lage Vuursche, De Bilt (2 pr. pi.), Blauwkapel, Maartensdijk, Westbroek, Zeist (1 pred. pi.).

Classis Wijk: Houten, Neer-Langbroek, Eist, Leersum, Renswoude, Veenendaal (3 pred. pi., 1 vac).

FRIESLAND. Classis Leeuwarden : _ Suawoude.

Classis Sneek : Oudemirdum.

Classis Dokkum : Driesum, Wouterswoude, Wanswerd, Ooster-Nijkerk.

OVERIJSSEL. Classis Zwolle : Hasselt (2 pred. pi., 1 vac), Rouveen, Staphorst, Daerle, Den Ham.

Classis Deventer : Rijssen (2 pred. pi.). Wierden.

Classis Kampen : Genemuiden, Kampen (2 pred. pi., 1 vac). Mastenbroek, Wilsum, IJsselmuiden, Kamperveen.

GRONINGEN. Classis Winschoten : Onstwedde.

NOORD-BRABANT EN LIMBURG. Classis Breda : Dinteloord (Prinseland).

Classis Heusden : Aalburg, Woudrichem, ‘s-Gravemoer, ‘s-Grevelduin-Capelle, Loon op Zand, Sprang.

Classis Meppel. Hoogeveen (2 pred. pi.). Het ligt voor de hand, dat we bij voorkeur het oog op deze gemeenten hebben als we denken aan onze P A A S C H-COLLECTE. voor het Studiefonds, ter hulpe van de opleiding van predikanten in onze Hervormde Kerk.

Willen de kerkeraden, ons daar ter plaatse helpen ? ^i’-‘®*-”’-»; ”’

Willen de predikanten’de’ze collecte voorstellen in den kerkeraad en straks van den kansel heel hartelijk aanbevelen ?

Hier ligt zoo’n prachtige weg .om onze Hervormde Kerk te dienen en mede te werken tot oprichting van het huis des Heeren, tot zegen voor land en volk.

WAAROM TOCH NIET ?

In bovenstaand artikel kon men lezen waar, zoo ongeveer, onze Gereformeerde gemeenten in ons Vaderland — wat onze Hervormde Kerk betreft— te zoeken zijn.

Nu zou men denken, dat in al die gemeenten m.et Paschen, wanneer wij saam gedenken mogen de onuitsprekelijke liefde Gods in Christus voor een zondige wereld en de heerlijke opstanding uit den dood van Sions Borg en Middelaar, een collecte zou worden gehouden voor het Studiefonds van den Gereformeerden Bond. Want, o, zeker ! in eigen gemeente zijn nooden en behoeften.

Maar hebben we er óok geen behoefte aan om zoo nu en dan saam te denken aan den nood en de behoefte van anderen ? Zijn we niet elkariders leden ?

Daarom moeten er zoo nu en dan ook collecten gehouden worden in de Kerk voor andere doeleinden, dan voor eigen gem.eente. ,

Te meer, wanneer, het dan gaat om saam onze Hervormde Kerk te dienen in de opleiding van Dienaren des Woords, die straks de gemeenten mogen ingaan als herders en leeraars, verkondigende de Waarheid Gods, die ons lief is.

Daardoor wordt onze Hervormde Kerk ’t meest geholpen !

En ziet — nu zijn er tal van Gereformeerde gemeenten waar nog nooit een PaaschcoUecte, een collecte dus voor de opleiding van predikanten voor onze Hervormde Kerk, is gehouden.

Natuurlijk zullen we hier nu geen namen noemen. Maar — een 50-tal zijn er zeker, die het hadden moeten doen, maar het niet gedaan hebben.

En dat komt meestal, omdat men er niet aan denkt. Omdat men geen acht geeft. Omdat men niet genoegzaam meeleeft. Omdat men het maar laat loopen.

Natuurlijk zijn er ook wel gemeenten, die het om principieele oorzaken niet doen. Om des beginsels-wille noemt men dat dan. Maar dat kunnen we moeilijk indenken. Veelszins is het nalatigheid, gebrek aan belangstelling. Men leeft niet genoeg mee. Men geeft geen acht op de teekenen der tijden.

Daarom zouden we willen vragen aan de broeders kerkeraadsleden en vooral ook aan de collega’s predikanten — maar ook aan de vacante gemeenten denken we, waar het dan vooral op de broeders ouderlingen aankomt — helpt ons dit jaar nu toch eens flink.

Zeker, we weten wel, dat de behoeften in eigen kring vele zijn.

Maar laten we toch aan de geestelijke nooden der Kerk vooral gedachtig zijn en laten we onze gave niet onthouden aan het werk, dat de Heere nog gebruiken wil, om onze Hervormde Kerk, en daarin ons volk en vaderland, grootelijks weldadigheid te bewijzen.

Wij zijn door den Heere als rentmeesters gesteld en zullen dus ook overvloedig in onze gave moeten zijn, wanneer de Heere ons daartoe voorkomt met Zijn weg en werk.

Laten we ook d a d e r s des woords mogen zijn.

Laten we in deze de Koninklijke Wet mogen volbrengen — zooals de Apostel Jacobus dat zoo ernstig ons voorhoudt (2 vers 8), zeggende, dat het geloof, indien het de werken niet heeft, bij zichzelf dood is.

Uit liefde diis een offerande gebracht op het heerlijke Paaschfeest, dat aanstaande is in al onze Gereformeerde g; emeenten, zonder uitzondering.

Wij zullen zorgen, dat aan al de kerkeraden een verzoek om een PaaschcoUecte wordt toegezonden.

Men kan er nu reeds rekening mee houden.

OOK EEN ANDERE MANIER IS MOGELIJK!

In vele gemeenten kan geen Paaschcollecte in de Kerk gehouden worden. De kerkeraad is er niet voor, de dominé is er fel tegen, en — natuurlijk, dan komt er niets van.

Wij stellen ons niet voor, dat er in Dordrecht of Hilversum, in Soest of Arnhem, in Delft of Zwolle, in Enter of Bussum, in Middelburg of Vlissingen, in Meppel of Naarden, in Vianen of Sneek een PaaschcoUecte in de Kerk kan worden gehouden.

Maar dan is er nog wel een andere manier !

Als de vrienden in Delft, in Dordt, in Rotterdam, in Raamsdonksveer, in Enter, in Utrecht, in Hilversum, in Arnhem, enz. enz. eens onderling een kringetje vormen, zooals Hillegersberg, Charlois, IJsselmonde, , den Haag, Rotterdam, Utrecht enz. enz. nu een paar jaar achter elkaar gedaan hebben, dan kan er een Georganiseerde Paaschcollecte in tal van gemeenten komen, waar langs de huizen met circulaire en inteekenbiljet gewerkt kan worden.

Men brengt persoonlijk een circulaire bij bekende adressen. In Vlaardingen, in Maassluis, in Hilversum, in Dordt, in Amsterdam en Utrecht — en ook in onze kleinere gemeenten waar vrienden van onzen Gereformeerden Bond en lezers van „De Waarheidsvriend” wonen — zijn zulke adressen wel te vinden. En als er dan een regelingscommissie is, die het werk aanpakt, dan kan zoo’n circulaire worden gebracht en b.v. acht dagen later persoonlijk teruggehaald, waarbij het inteekenbiljet ingevuld in ontvangst wordt genomen met het bedrag daarop geteekend.

’t Behoeven dan heusch niet allemaal groote giften te zijn. Een kwartje, twee kwartjes, een gulden, een rijksdaalder — alles is heel hartelijk welkom.

En die tien gulden kunnen geven — blijven dan niet achter.

Misschien zelfs — we spreken bij ondervinding — zijn er dan ook zelfs wel, die nog meer dan tien gulden kunnen en willen geven !

Van harte hopen we, dat onze menschen van „aanpakken” zullen weten. Als er overal maar een paar gevonden worden, die het werk willen beginnen en regelen.

Een goede regeling en een goed begin — is het halve werk !

En God van den hemel doe het ons gelukken : wij. Zijne knechten, zullen ons opmaken ! Nehemia 2 vers 20.

Aan het BUREAU VAN „DE WAAR­ HEIDSVRIEND” kan men het aantal circulaires, dat men denkt noodig te hebben, aanvragen. Ze zijn gratis verkrijgbaar.

HET VOLSTREKT GEZAG DER HEILIGE SCHRIFT.

Het Schriftgezag leeft bijzonder onder de Gereformeerden. Ook anderen spreken wel van het gezag van den Bijbel, maar bedoelen het dan gewoonlijk toch in een geheel anderen zin dan de Gereformeerden. Het is dan niet een objectief, volstrekt gezag, dat men om Gods Wil aanneemt, maar een subjectief, betrekkelijk gezag, dat omschreven en bepaald wordt naar menschelijk aanvoelen en subjectief goedvinden.

Voor de Gereformeerden vormt ’t Schriftgezag een fundamentstuk, waarop heel onze levensbeschouwing rust, al onze actie steunt. Daarom neemt onder ons ’t Schriftvraagstuk een breede en alles beheerschende plaats in. Alles wordt tenslotte beslist door onze Schriftbeschouwing.

Ook onder Ethischen wordt wel gezegd : de Heilige Schrift is het Woord van God. Ook daar spreekt men van Schriftgezag. Maar over dat „gezag” is tusschen Ethischen en Gereformeerden nogal wat verschil. Voor de Ethischen komt het gezag der Heilige Schrift daar te liggen, waar de mensch innerlijk het gezag voelt. En dat gezag wordt dan gevoeld als de ziel (van de Ethischen) zi, ch uit de Heilige Schrift hoort toespreken door de stem van God. Waar die stemme Gods tot de menschen spreekt is de Bijbel Gods Woord, waar die stem niet beluisterd wordt als een stem des Heeren, is de Bijbel eens menschen woord, waarmee de mensch kan doen wat hem goeddunkt.

Maar zóó verstaan wij het Schriftgezag niet. De Heilige Schrift krijgt voor ons geen gezag door het aanvoelen en toestemmen van onzen geest; de H. Schrift heeft gezag in en van zichzelf, omdat het Gods Woord is, ons op zeer bijzondere wijze door den Heere Zelf geopenbaard en het komt tot ons als Gods Stem, waarnaar wij in alles en bij allerlei •— Schrift met Schrift vergelijkend — hebben te luisteren en waarnaar wij ons altijd hebben te richten, acht gevend op den voortgang in de Godsopenbaring, met wijsheid in de Schrift neergelegd.

Het gezag der Heilige Schrift is dus niet iets subjectiefs, dat van den mensch bepaald wordt door zijn innerlijk, ethisch of zedelijk aanvoelen, waarbij wij practisch met ons zedelijk aanvoelen dan uitmaken waar de Heilige Schrift Gods Woord is en waar in den Bijbel Gods Stem spreekt. Zeer beslist is voor ons het gezag der Heilige Schrift iets objectiefs, steunend in het Woord zelf, dat zich overal en altijd aandient als Gods Woord. Heel de Schrift is voortgekomen uit de bijzondere relatie Gods tot Zijn volk Israël en de betrekking! van God tot de wereld en wel heel bijzonJ der tot Zijn Kerk van alle eeuwen. Daarom dient de Heilige Schrift zich altijd etil overal aan als Gods Woord, dat geloof.! waardig is in zichzelf en dat met gezag optreedt, als vertolkend Gods Wil en Waar-‘ held. Terwijl in de Heilige. Schrift de zaligheid van zondaren als een heilig en gouden kleinood ligt vervat, waarmee alles ir, den loop der eeuwen op het nauwst verbonden is geweest en voor alle eeuwer, verbonden blijft, totdat het Koninkrijk dei heerlijkheid zal zijn geopenbaard.

Calvijn noemt in zijn Institutie de Heilige Schrift uitdrukkelijk autopistos d.w.z. in zichzelf geloofwaardig, in zichze’, : gezaghebbend.

Natuurlijk moet dat objectief gezag dooi ons dan ook subjectief aangevoeld en er-| kend worden, anders zal het ons niet veelP baten. De Heilige Geest moet ons dat in-: wendig doen voelen en erkennen. Daaroir, spreken de Gereformeerden met artikel “: van onze Ned. Geloofsbelijdenis van eet; getuigenis des (3eestes in de harten det; geloovigen, wat betreft de autoriteit dei’ Heilige Schrift. Dat moeten de men-‘ s c h e n ons niet leeren, ook moet deKerk ons dat niet.opleggen (gelijk Romt dat leert), want als we niet verder komeiik dan dat, zal het ons tenslotte niet to; ! waarachtigen, zaligmakenden zegen zijn! Maar we moeten persoonlijk leeren kennea het getuigenis des Heiligen Geestes (testimonium Spiritus Sancti), dan hebben de Heilige Schriften voor ons een zaligmakende kracht. Dan kunnen ze ons wijs maker, tot zaligheid, door het geloof, hetwelk ir Christus Jezus is (2 Tim. 3 vers 15). Ons hart moet hierin mee getuigenis geven. Br. niet op uitwendige, verstandelijke gronder steunt het gezag der Heilige Schrift (wan; dan zou het van uitwendige, verstandelijke redeneeringen en bewijzen afhankelijk zijr. en daardoor altijd wankel bevonden worden, hetwelk geheel past bij het Rationalisme, maar geenszins bij het geloofsstandpunt). Maar naar innerlijke overtuiging moeten we het gezag van de Heilige Schhf; voelen en erkennen, zoodat het een ge-

loofsstuk is. Maar dat is niet hetzelfde, als dat de Heilige Schrift alleen maar Gods Woord is en Gods Stem doet hooren, waar wij, menschen, dat believen aan te voelen en te erkennen, waardoor in feite door óns zoc worden bepaald : daar en daar en daar in den Bijbel is Gods Woord en komt Godi Stem tot ons, maar daar en daar en daail (wat met elkaar een behoorlijk groot stuk van den Bijbel is) is in den Bijbel God; Woord niet en spreekt Gods Stem niet. Dan zou door ons innerlijk aanvoelen wor-m i den uitgemaakt wat er in den Bijbel door ^ menschen ingevoegd is en bijgebracht, waaraan wij, menschen, ons in het minstdan niet hebben te houden, als zijnde nie; Gods Woord en niet Gods Stem. d G K

Zoo redeneeren velen en zoo komen we tot de onderscheiding dat de Gereformeerden zeggen : de Bijbel is Gods Woord – en b.v. de Ethischen : in den Bijbel is Gods Woord. Het gaat hier om het objectief door God gegeven gezag der Heilige Schrift o! anderzijds het subjectief door den men.scf, erkende gezag van den Bijbel. v s c v l

Wij komen op voor de objectiviteit var het gezag van Gods Woord, dat van Got Zelf gegeven is aan de Heilige Schrift doo: Zijn bijzondere zorg over wereld en Kerk. De Bijbel heeft niet slechts gezag, waar wij het believen te erkennen en waar wij he: innerlijk aanvoelen en willen toestemmer, maar de Heilige Schrift is Gods Woord heeft gezag in zichzelf en eischt, dat dï mensch dat zal erkennen en aanvaarder. w w v i

De Heilige Schrift heeft voor ons vol­ g strekt gezag zonder eenige beperking vat n menschelijke beslissing, waarbij de Schrift zelf gebiedend eischt, dat op den gang de: Godsopenbaring zal worden acht gegever. w (Hebr. 1 vers 1). Schrift moet met Schrii: vergeleken worden, zal Gods Stem op dt rechte wijze tot ons komen. Maar zóó d; H Schrift gebruikend is het voor ons God; Woord, Gods Stem, Gods Wil, Gods Waar heid, waaraan wij voor geloof en leven ge­ W bonden zijn. De Heilige Schrift moet voc: k ons zijn en blijven bron, wet, regel voc; a leer en leven, voor ons denken en hande-G len, voor ons persoonlijk en voor ons gt g meenschapsleven.

„Er staat geschreven”. „Hoort Gods Stem”. b d

DE ROOMSCHE KERK-IDEE. — w z

Volgens het Roomsche systeem ontleene; de conciliën of algemeene kerkvergaderir.’ gen haar bevoegdheid aan de bisschoppen, d.i. aan de ambtelijke personen, d: ; er samenkomen. Die bisschoppen, b£’ noemd door de Apostelen en zoo elkand^ opgevolgd, zijn de machthebbers, de Pavóóraan. b e O o

Maar de Schrift weet van zulk een hiërarchische machtsoverdracht van Petrus o; de pausen, van de Apostelen op de bi^i schoppen, van de bisschoppen op de COB’ ciliën niets ! ™ ^ m W

Dat Petrus de Kerk te Rome zou gesticli’B hebben, 25 jaar haar bisschop zou gew( zijn en vóór zijn sterven een opvolger aangesteld en op dezen zijn macht overgedr gen zou hebben, is niets dan legende.

DE SYNODALE 3ESTUBEN-ORGANISATIE.

Twee gevaarlijke klippen zijn er voor het erkeiijk leven : i n d e p e n d e n t i s 11c h e losbandigheid (independent = onfhankelijk) eenerzijds — en hiërarh i s c h e gebondenheid anderzijds. De n depend enten (onafhankelij ken) willen van geen bevoegdheid van dassen en synoden weten. De verschillende gemeenten die er zijn, kiezen zelf de ambtsdragers, die dienaren der gemeente zijn en lan de gemeente verantwoording schuldig 5ijn, enz. De verschillende Kerken mogen wel’met elkander vergaderen, maar zulke samenkomsten dragen dan, volgens hen, slechts het karakter van conferenties, waar nen samen vergadert en samensprekingen loudt, maar waar men geen bindende besluiten mag nemen. Men wil van geen binlende Kerkregeering weten en zich niet jvergeven aan besluiten van dassen en iynoden.

Van den anderen kant dreigt het gevaar ran hiërarchische b e stuur s-nacht, die van boven af over de plaatselijke Kerken tracht te heerschen.

Die hiërarchische bestuursmacht matigt zich alle rechten over de Kerken an. Men gaat dan van de gedachte uit: ir is over heel het land één Kerkgenootcliap, één groote vereeniging, met prorinciale, classicale en plaatselijke onderafdeelingen. Aan het hoofd van dat groote genootschap staat een synode en onder haar zijn er voorts de provinciale-, classicale-en plaatselijke kerkbesturen.

Aan de Synode is de hoogste wetgevende macht en zij eischt van haar ambtsdragers administratief personeel) de belofte af, dat zij alle bepalingen der reglementen zullen nakomen, zonder beroep op Gods Woord open te laten. Er bestaat zelfs in sekeren zin geen Woord van God en geen Soningschap van Christus. Er is alleen een seer uitvoerig Reglement, met hoofd-en jnderdeelen en daarbij een zeer uitgebreid stel besturen, hoogere en lagere besturen, Hen samen uitloopend in het allerhoogste bestuur, de Synode. Zoo is dan de eenige 3isch in de besturen-organisatie : een absolute onderwerping aan de kerkelijke macht — geen ambtsdragers, maar bestuursleden — en aan de zeer uitgebreide reglementen, zonder dat de kerkelijke macht zelve rept van mogelijke bezwaren (dat komt in een besturen-organisatie niet be pas en daar is ook geen plaats voor) en sonder beroep op Gods Woord in uitzicht te stellen.

Dat alles is op Roomsch standpunt begrijpelijk. De Roomsche Kerk heeft haar sigen stel hoogere en lagere geestelijken, net den Paus aan het hoofd. De gemeente onmondig. De geloovigen tellen niet mee. En~aé geestelijken’, ‘ de hoogere zoo goed als de lagere, hebben de leiding des Heiligen Geestes, met den Paus aan het hoofd, die onfeilbaar is in kwaliteit van Hoofd der Xerk, stedehouder van Christus, opvolger /an Petrus.

Alles sluit zoo als een bus. Want de beilissingen van de geestelijken zijn voor de 3onsciëntie bindend, als komend rechtstreeks van God — maar zulks is in’ de verste verte zóó in alles strijdend met de rotestantsche opvattingen en de beginseen van Gereformeerd Protestantisme, dat wij er niets van gebruiken kunnen — hoewel helaas ! in onze HervormdeKerk sinds 816 een bestuursmacht is, die wonderveel gelijkt op de Roomsche hiërarchie. Alles Iraait om de Besturen, de Synode ’t meest. Omdat het zóó gesteld is, vragen wij om verandering en wel principieele, algeheeie verandering in ons kerkelijk samenleven, in de orde van Kerkregeering.

De Kerk is in 1816 onder een organisatie ebracht, waardoor zij hare regeering aan nagenoeg zelfstandige, in rang opklimmende Besturen zag toevertrouwd.

En nu gaat het ons niet allereerst om wegneming van allerlei misstanden, maar we moeten er voor opkomen, dat de beiijdenis van den Naam des He er en weer hoofdzaak wordt en blijft voor de Hervormde Kerk.

Een van de eerste kenmerken van de ware Kerk is: of Gods Woord i-echtsiiracht heeft in haar midden. En dan niet allerlei – woorden, ideeën, meeningen, maar Gods Woord, Schrift met Schrift vergeleken, waarbij het fundament is en blijft: Jezus Christus en die gekruisigd. Als Petrus dien Christus belijdt, spreekt de Heiland van den opbouw van Zijn Kerk.

Als Petrus dien Christus tegentreedt, werpt de Heiland Petrus als een satan op zij en achter Zich.

Wat de Vader uit den hemel hem openbaart, dat is Christus tot eere — wat vleesch en bloed bedenkt, is tot een vloek en Christus tot droefheid en smaadheid.

De Waarheidsvriend, 10 maart 1932

 

De Reformatie in de classis Neder-Veluwe 1592-1620 (1)

G. VAN DER ZEE.

1)

De hier volgende beschrijving van de Reformatie is samengesteld uit het oudste Acta-of Notulenboek van de Classis Neder-Veluwe, welke Acta van 1592—1620 door mij zijn gecopiëerd en verschijnen zullen in „Gelre” 1935.

Wanneer dus straks na allerlei algemeene mededeelingen de dorpsgeschiedenissen aan de orde komen, maken deze geen aanspraak op volledigheid, doch zijn hoofdzakelijk een weergave van wat in het Acta-boek staat opgeteekend.

Onder Neder-Veluwe verstaan wij het Noordelijk stuk der Veluwe, loopende van Hattem tot Nijkerk; van Nijkerk over Voorthuizen tot Barneveld ; van Barneveld over Kootwijk tot Vaassen, en zoo wederom Noordwaarts tot Hattem. Sinds 1816 heet dit district de Classis Harderwijk.

Vóór 1592 waren er in de steden Harderwijk, Elburg, Nijkerk en Hattem reeds geordende gereformeerde predikanten, doch de dorpen waren nog bezet met pastoors, hoewel het oms bekend is, dat Jan Gerardus Verstege, in 1544 pastoor van Garderen, reeds de beginselen der Reformatie in Lutherschen geest was toegedaan.

De stoot om de Veluwe te reformeeren is uitgegaan van het Hof van Gelderland te Arnhem, waarin vanzelfsprekend de predikanten ook weer de hand gehad hebben. Dit Hof vaardigde 22 Februari 1583 een bevelscthrift tot refoonnatie uit, doch moest dit wel intrekken door den val van Nijmegen, Zutfen en Deventer. Maar toen in 1591 deze steden weer aan Oranje kwamen, werd het placcaat vernieuwd, en op 8 Mei 1592 uitgevaardigd, met het gevolg dat ds. Johannes Fontanus van Arnhem in Juli 1592 de pastoors van Over-Veluwe examineerde te Arnhem, en die van Neder-Veluwe te Harderwijk.

De Veluwsche steden Harderwijk, Elburg en Hattem waren met hun predikanten en ouderlingen tegenwoordig. De Nijkerksche pastoor Everhardus Swaer was wel in de kerk, maar verscheen niet op de vergadering, daar het mogelijk als gewezen decaan zijn eer te na kwam om door een predikant geëxamineerd te worden. Voorts waren verschenen de pastoors van Putten, Brmelo, Nunspeet, Doornspijk, Heerde, Vaassen, Oene, Voorthuizen. De overigen waren met of zonder kennisgeving afwezig. Vorohten en Veessen waren vacant.

De eerste Acta van de Classis is destijds letterilijk in „De Waarheidsvriend” gepubliceerd, zoodat wij dit examen gevoegelijk kunnen overslaan.

Alleen herinneren wij er aan, dat de pastoors vain Putten en Voorthuizen slechts ééne zitting hebben bijgewoond, waarna zij vertrokken zijn met de schriftelijke mededeeling dat zij Roomsch Katholiek wenschten te blijven. De pastoors van Heerde, Oene, Vaassen en Doornspijk hadden op enkele punten bedenkingen en kregen tijd van beraad, terwijl slechts twee pastoors, n.l. die van Ermelo en Nunspeet, zich geheel onderwierpen, en zich bij de gereformeerden aansloten, zij het dan ook te Ermelo in naam, wat ons later duidelijker zal blijken.

Er waren in den beginne ontzaglijke moeilijkheden te overwinnen, vóór en aleer een gemeente als zoodanig ge-re-formeerd was en haar dienaar als geordend predikant ter vergadering verscheen. Uit hun aanwezigheid blijkt de groei van de Classis. Zoo zien ‘we dan de steden als voortrekkers, waarbij zich achtereenvolgens de volgende dorpen voegen : In 1592 Ermelo en Nunspeet, tevens Oldebroek en Oosterwolde ; in 1594 Heerde, Doornspijk, Voorthuizen en Barneveld ; in 1595 Elspeet en Garderen; in 1598 Putten ; in 1599 Epe ; in 1600 Oene. De gemeente Kootwijk werd in 1595 doar den predikant van Garderen bediend, doeh kreeg in 1615 een eigen predikant; in 1610 Vaassen, en in 1612 Vorchten. De overige plaatsen, waaruit de Classis thans bestaat, zijn df later gevormd, zooals Wezep, Ernst, Wapenveld, Nij kerkerveen en Hier den, óf waren in den reformatie-tijd tientallen jaren vacant, als b.v. Veessen. Maar ook de pastoors, die toetraden, waren allen lang niet betrouwbaar. Groote ellende heeft men beleefd met die van Ermelo en Oosterwolde. Die van Vaassenhield de zaak zestien jaren sleepende. Die van Voorthuizen, Heerde en Elspeet zochten een andere plaats, maar die van Putten bleef jarenlang ijveren in de omgeving. Die van Epe beloofde mede te gaan, doch werd in 1598 verwijderd, maar omstreeks 1600 had de Reformatie vrijwel haar beslag gekregen. Maar ook vóór het examen van 1592 waren er al kettersche pastoors gesignaleerd, b.v. te Epe, en iwaren er reeds predikanten werkzaam geweest te Heerde in 1581, te Oene 1580, te Epe 1581.

De bijzonderheden worden straks bij de dorpen vermeld.

De eerste vergadering werd, zoo wij zagen, op last van het Hof van Arnhem uitgeschreven, doch de volgende belegde de Classis zelf. Een der aangewezen kerken sdhreef de vergadering uit, waarvan plaats en tijd op de vorige was bepaald. Daar koos men een voorzitter, een bijzitter en een scriba of secretaris, die de notuien schreef. Niet alle predikantsplaatsen waren vertegenwoordigd, dan alleen in buitengewone gevallen. Zoo b.v. had Harderwijk wel drie predikanten, doch gewoonlijk was er slechts één aanwezig. Men vergaderde in alle plaatsen, waar een kerkeraad was, daar deze in de eerste tachtig jaren nog lang niet overal was ingesteld. Omgekeerd waren ter vergadering allerlei predikanten die wel in een dorp woonden, doch nog geen gemeenten hadden, terwijl de pastoor in de pastorie woonde.

Waar een kerkeraad was, rustte de verplichting op een ouderling de vergadering met den predikant bij te wonen, op straffe van boete, te weten een „keysers gulden”, en later een „pond Vlaemsch”, is zes gulden.

Daar er wel eens spoed-eischende zaken zich voordeden, kwam de behoefte op om buitengewoon te vergaderen, hetgeen voor het eerst in 1596 geschiedde, en waarover in 1600 bepalingen werden vastgelegd. De Classis vergaderde meermalen des jaars, men noemde dit de Paasch-, St. Jans-en najaars-classis. Telkens werd op de vergadering het Correspondentie-adres aangewezen.

Ook hield men contact met de naburige classes, waarvan men afgevaardigden ontving en waarheen men afgevaardigden zond en noemde dit „de lofflicke correspondentie.” Deze loflijke correspondentie werd in den eersten tijd door zwervende Spaansche troepen nog al eens bemoeilijkt, waardoor het afdoen van zaken dikwijls lang werd vertraagd.

Op elke vergadering wetfden de Acta der vorige vergadering voorgelezen, Eüsmede die der naburige classis, terwijl de aanwezige broeders geregeld vermaand werden om te zorgen dat zij de Acta van de Haagsche Synode van 1586 in hun bezit moesten hebben, door ze in hun boek over te schrijven, ten einde met de grondstellingen van het kerkrecht op de hoogte te komen.

Daar elke vergadering een andere scriba heeft, is het handschrift zeer uiteenloopend. Af en toe is de taal oote nog half Dultsch. Dit duurt tot omstreeks 1640, waarna de Staten-vertaling geducht haar invloed ten goede gelden doet.

Een jaar na het examen van de pastoors besloot men de pastoors niet meer op te roepen, doch. vroeg men advies aan het Hof hoe met hen te handelen. (Wordt vervolgd).

Vaassen.

De Waarheidsvriend, 26 juli 1934

 

De Reformatie in de classis Neder-Veluwe 1592-1620 (10?)

G. VAN DER ZEE.

5. Oene.

De kerk van Oene wordt in het Oorkondenboek van mr. Baron A. Sloet, no. 333, als kapel in het jaar 1176 genoemd, waar bepaald wordt dat Unen (Oene) met Vaassen onder Epe blijven. De kapel werd verbouwd en in 1238 tot parochiekerk verheven en gewijd aan de H. Dyonisius. Dit zeer oude gebouw staat er nog.

In 1548 stond er als pastoor, . Heer Altarista, die gelijk de pastor van Epe, als kettersch werd gesignaleerd. In 1580 treffen we hier Lambertus Henrici aan als predikant, doch na zijn tijd maakt Oene, evenals Epe, een zwenking naar Rome en vinden we in 1592 te Oene als pastoor Bartholomeus ter Cluiss, of ter Cluse, die in 1590 daarheen „van den huisluyden was beropen.”

Hij verscheen in 1592 op 4 Juli te Harderwijk om geëxamineerd te worden, doch had bezwaar tegen den Catechismus en kerkelijke tucht in gereformeerden geest.

Nadat hem eenige tijd van beraad was gegeven, werd hij opgeroepen te Nybroek, doch hoewel het slechts een uur igaans was, verscheen hij niet. Dit zal wel afgesproken werk zijn geweest met die van Epe, en zoo werd’ hij in 1593, 1594 en 1595 bij request tot afzetting voorgedragen. Het Hof ging er echter nog niet toc’ over.

In 1596 verscheen hij wederom niet ter vergadering, ja zond ook geen schriftelijk excuus, hetgeen de Classis hem zeer kwalijk nam, en schriftelijk bij de Synode op zijn verwijdering aandrong „umb viele wichtige ursachen.”

Inderdaad blijkt het Hof in de komende jaren te hebben ingegrepen, daar hij na 1596 niet meer wordt genoemd. L. Pieck van Epe is in 1598 afgezet, en we mogen gerust aannemen dat Bartholomeus ter Cluis kort te voren gegaan is, daar het den pastoor van Epe verboden werd om te Oene dienst te doen.

In 1599 diende zich een nieuwe „pastoor” aan, een gewezen priester of een predikant, n.l. Joannis Keteler uit de Classis Middelstum in Groningen. Hij vestigde zich te Oene, doch kon van de Classis, die hem een verdacht persoon vond, geen approbatie krijgen, daar men zijn getuigschriften niet vertrouwde. Men vroeg inlichtingen bij ds. Joh. Nicasius te Middelstum, welke er toe geleid hebben, dat hij door de Synode van Harderwijk 1599 is afgezet.

In 1600 op de vergadering te Epe, zien wij dan voor het eerst den eigenlijken eersten Predikant in de onafgebroken rij tot heden, n.l. ds. Thomas van Dinstlagen, ook wel Dinxlakius genoemd. Dit beroep was tot stand gekomen door de vriendelijke bemiddeling der kerk van Harderwijk. Aan ds. Voskuil van Epe werd de bevestiging opgedragen. Dit laatste schijnt heel wat voeten in de aarde gehad te hebben, daar de Classis hierop aandringt in 1600, 1601, 1602 en 1603, zoodat het eindelijk plaats vindt in Maart 1604. Dit houdt verband met de R.K. Ambtsjonkers, die de macht hadden zulks een tijdlang tegen te houden, daar zij b.v. den Schout geen vergunning gaven een dag der bevestigingsplechtigheid uit te schrijven; zoo ook plaagden zij hem met zijn kleine tractement, waarover hij herhaaldelijk klaagt, alsmede zijn slechte woning, die lek en kapot was, waarover hij tot 1612 klaagt. Daarbij had hij den koster en diens huisvrouw ook tegen zich. De acta luidt aldus: „Claegt den dienaer tot Oen, dat den Coster darselffs mit sijn hausfrouw sijn vianden van der Religie end deinst oock niet well int geheel bedienen, als het water brengen tot den kinderdoop.” Daarom oordeelde de Classis het dienstig om zulks via de Synode naar het Hof te verwijzen. Gevraagd naar den staat der kerk in 1600, zeide hij dat het gehoor tamelijk opkwam, doch dat de Jonkers „groot afbrueck” deden.

Langen tijd verloopt alles rustig te Oene, tot in 1619, in welk jaar de kerkmeesters een request indienden, waarbij zij den zoon van ds. Thomas van Dinstlagen tot predikant begeerden, alsmede een jaargeld voor den ouden en mettertijd emeritus predikant. De inspecteurs der Classis beloofden deze zaak aanhangig te maken en na verkregen pensioen, verder te handelen over zijn zoon.

In 1620 wordt er wederom over gesproken, en blijkt, dat hij geen dienst meer doet, doch wel in de pastorie woont, en die houden mag totdat zijn jaangeld hem verzekerd is.

Tot zoover de Classicale Acta.

Uit de „Boekzaal” van 1720 eerste halfjaar, blz. 479 blijkt, dat ds. Thomas van Dinstlagen in 1620 vertrokken is naar Hoogblokland, doch dit kan ook wel zijn zoon geweest zijn.

Te Oene stonden voorts : Johannes Rosaeus, van 1623 tot zijn afzetting in 1627.

Hubertus Fabritius, prop., 1627—† 1637. Johannes Ketelaar, prop., 1637 †.

Zeno a Valencijn, prop., 1637—† 1642. Johs. Dapper, 1642—1654. Gerardus Opgelder, 1655—1715 † 1718. Petrus van Dijk, prop., 1716, ontslagen 1719. Petrus Ayers, prop., 1719 † 1742. Wilh. Hesliusius, prop., beroepen 1744. Zie voorts Handboek Van Alphen 1903, waarin alle Geldersche predikanten staan.

(Wordt vervolgd).

Vaassen.

De Waarheidsvriend, 1 november 1934