Dorpskerk zet deuren tijdens herbouw open

VAASSEN – De Vaassense dorps­kerk wordt momenteel ver­bouwd. Veel mensen komen langs en vragen zich af hoe het eruit ziet. Een aantal van hen komt even binnen om een kijkje te ne­men. Vaak met de nodige schroom, want ze willen de men­sen die aan het werk zijn niet in deweg lopen. De werkzaamhe­den van de vrijwilligers zijn voor een groot deel afgerond en de kerk is ontruimd. De werkzaamhe­den om het interieur te vernieu­wen kunnen nu beginnen. Wie nog niet binnen is geweest, maar wel graag wil kijken kan zaterdag terecht tussen 10 en 12 uur.

Bron: De Stentor, 18 april 2013

 

Hervormd Vaassen neemt afscheid van het oude interieur

VAASSEN- Vorige week werd het oude interieur van de Vaassense Dorpskerk voor het laatst gebruikt. Het interieur zal de komende maanden drastisch onder handen worden genomen. Op 22 september zal het geheel vernieuwde interieur in gebruik worden genomen.

Beide diensten werden op deze zondag goed bezocht. De kerkgangers zochten voor het laatst een plekje in de oude kerkzaal en vierden Pasen. Voor een aantal betekent het een afscheid van het interieur waar ze zo’n vijftig jaar geleden nog aan mee hebben geholpen. Met enige weemoed laten ze het interieur, waaraan ze toen ook vele uren van hun vrije tijd hebben besteed, achter zich. Voor anderen zijn het de herinneringen aan de vele mooie, maar ook de droeve momenten van de laatste jaren. Huwelijken, doopdiensten, maar ook afscheid van hun geliefden. Voor velen is het ook het vooruitzien naar een nieuw interieur met hedendaagse mogelijkheden. Het nieuwe interieur wordt helemaal aangepast aan de nieuwe eisen van de tijd. Er is de afgelopen vijftig jaren veel veranderd in de maatschappij en die veranderingen zijn ook de kerk niet voorbijgegaan. Er worden hogere eisen gesteld aan geluid, er wordt gewerkt met projectie en mensen die de kerkdienst niet meer kunnen bezoeken kunnen via de hedendaagse technische mogelijkheden de dienst steeds beter vanuit hun eigen huiskamer volgen. In de avonddienst wordt het afscheid van het oude interieur vorm gegeven door het naar buiten dragen van de Paaskaars. De komende weken zullen tientallen vrijwilligers het interieur uitruimen en de achterwand afbreken. De Hervormde Gemeente mag zich rijk rekenen dat ze van zoveel vrijwilligers gebruik kan maken.

Bron: De Schaapskooi, 9 april 2013

Kerk in mum van tijd gestript

VAASSEN – De vele vrijwilligers die vanaf deze week bezig zijn om de dorpskerk in Vaassen te strippen, hebben zo hard gewerkt dat ze ver voorliggen op schema.
Het grote werk – het ontmantelen van de kerk – zat er al na een dag of twee op. Nu moeten nog puntjes op de i worden gezet, zoals het afhalen van lak van de acht kerkbanken die in de kerk blijven. Zoals gemeld krijgt de kerk een compleet nieuwe inrichting en worden ook verouderde installaties vervangen. Bij het strippen zijn
vrijwilligers op onverwachte zaken gestuit. Zo kwamen in de consistoriekamer
mooie glas-in-loodraampjes te voorschijn, alsmede een mooi balkenplafond.

Bron: De Stentor, 6 april 2013

 

Dorpskerk neemt afscheid van interieur

Op 31 maart werd het oude interieur van de Vaassense Dorpskerk voor het laatst gebruikt. Het interieur wordt de komende maanden drastisch onder handen genomen. Op 22 september kan naar verwachting het geheel vernieuwde interieur in gebruik worden genomen. 

Beide diensten werden op deze zondag goed bezocht. De kerkgangers zochten voor het laatst een plekje in de oude kerkzaal en vierden Pasen. Voor een aantal betekende het een afscheid van het interieur waar ze zo’n vijftig jaar geleden nog aan mee hebben geholpen. Met enige weemoed lieten ze het interieur, waaraan ze toen ook vele uren van hun vrije tijd hebben besteed, achter zich. Voor anderen zijn het de herinneringen aan de vele mooie, maar ook de droeve momenten van de laatste jaren. Huwelijken, doopdiensten, maar ook afscheid van hun geliefden. De weemoed werd ’s morgens onderstreept met een sneeuwbui.
Maar voor velen is het ook het vooruitzien naar een nieuw interieur met hedendaagse mogelijkheden. Het nieuwe interieur wordt helemaal aangepast aan de nieuwe eisen van de tijd. Er is de afgelopen vijftig jaren veel veranderd in de maatschappij en die veranderingen zijn ook de kerk niet voorbijgegaan. Er worden hogere eisen gesteld aan geluid, er wordt gewerkt met projectie en mensen die de kerkdienst niet meer kunnen bezoeken, kunnen via de hedendaagse technische mogelijkheden de dienst steeds beter vanuit hun eigen huiskamer volgen. In de avonddienst werd het afscheid van het oude interieur vorm gegeven door het naar buiten dragen van de Paaskaars.

En toen kon het beginnen…..
Op 2 april 8 uur ’s ochtends kon een flink aantal vrijwilligers onder de bezielende leiding van Gerwin Kers en lid van de restauratiecommissie, aan de sloop van het interieur beginnen.
Nauwelijks 2 uur later stonden de eerste 30 banken (4.20 m) buiten en 2 uur daarna stond een grote vrachtwagen voor om de banken naar een goede bestemming in Oekraïne te brengen. Hier worden ze wederom als kerkbanken gebruikt. Er resten nog een aantal banken voor hergebruik in het nieuwe interieur en voor een aantal banken hebben gemeenteleden zich gemeld. Ook de zes kroonluchters hebben een nieuwe bestemming gekregen. De houten achterwand, waarvoor de preekstoel stond, gaat naar een botenbouwer in Veessen, die dankzij de lengte van de planken en het soort hout (Oregon pine) zeer geschikt zijn voor de bouw van de masten.
Na het verwijderen van de banken, het slopen van de preekstoel en achterwand kwam de ruimte tevoorschijn van voor 1962 (de laatste vernieuwing van het interieur) met de twee ramen aan de Dorpsstraatzijde en het raam-rozet boven in de voorgevel.
Ook de daarop volgende dagen werd er door de, in totaal, 40 vrijwilligers veel werk verzet. De komende 2 weken worden nog gebruikt voor verdere sloopwerkzaamheden (o.a. de consistoriekamer, welke zowel voor sloop als vernieuwing door “eigen” mensen gedaan wordt) en dan wordt op 22 april de kerk overgedragen aan aannemer Van Laar en kan de opbouw van het nieuwe kerkinterieur beginnen.

Bron: Vaassens Weekblad, 9 april 2013

 

Nomaals Goddaeus en zijn uil

Vaassen, die juist gegevens verzamelde over de historie en de vroegere voorgangers zijner gemeente. Dit werkje verscheen thans onder den titel Kerkgeschiedenis van Vaassen van het jaar der stichting 891 tot 1930 (Epe 1934, 100 blz.). Op onderhoudende en eenvoudige wijze is hier de geschiedenis der parochie van de vroege middeleeuwen af uit de schaarsche gegevens opgebouwd, en voorts de ontwikkeling naar de reformatie in de eigenaardige overgangsfiguur van pastoor Peregrinus van Heerde geschetst. Daarop volgt dan Hermannus Goddaeus 1610—1634 als eerste gereformeerde predikant; zijn herkomst is ook aan Ds. Van der Zee onbekend gebleven; een zekere Conradus Goddaeus wordt in 1629 genoemd (blz. 31), voor wien Ds. Hermannus een plaats als leeraar zoekt. Volgens den schrijver kan dit niet doelen op den zoon en opvolger van Hermannus, den bekenden Conradus. Deze zelf stond dan te Vaassen van 1634—I656 en overleed 1658. Ds. Van der Zee wijdt aan hem blz. 32—42 van zijn boek en deelt vele bijzonderheden uit zijn huiselijk en ambtelijk leven mee, waarvan wij in ons vroeger opstel slechts in het kort melding maakten. De volgende 7 bladzijden behandelen Goddaeus’ opvolger en schoonzoon Johannes Peregrinus (1655—57), die de kleinzoon van den laatsten pastoor blijkt te zijn. Na deze onrustige jaren kreeg de gemeente haar vierden predikant Johannes van Loo, die haar van 1658 tot zijn dood in 1708 diende. In dezen predikant leefde nog de herinnering aan de oude letterkundige betrekkingen tusschen Vaassen en

Het Boek XXIII ,

 

98

Epe, toen hij in 1695 een gedicht maakte op de geboorte van Franciscus, kleinzoon en naamgenoot van Goddaeus’ vriend Franc Martinius. Wij wenschen het boek van Ds. Van der Zee ruime verspreiding toe.

*

Reeds thans is het mogelijk een aanvulling te geven van de bibliografie der Laus ululae. Bij uitgave 4 (blz. 247 v.), voorkomend in de Admiranda rerum admirabilium Encomia van 1666, had ik nog gelegenheid het bestaan te vermelden van een lateren druk van 1677 dezer Encomia. Een nadere beschouwing van dien herdruk gaf eenige verrassingen. Terwijl de mij bekende exemplaren der uitgave 1666 geen platen bevatten, bleken in die van 1677 al de platen voor te komen die mij uit het Leidsche exemplaar der Nederlandsche uitgave van Veeler wonderens wonderbaarelijck Lof (1664) bekend waren, en nog enkele meer. De Koninklijke Bibliotheek in Den Haag en de Universiteitsbibliotheek te Amsterdam 1) bezitten exemplaren van dit Wonderbaarelijck Lof, die in dit opzicht vollediger blijken te zijn dan het Leidsche. Deze platen stellen voor:
1. podagra (drinkers in herberg), gemerkt f. 1;
2. podagra (dokter bij zieken man), f. 38;
3. jacht op de vloo, f. 60;
4. de zwemkunst (Diana met nymphen en Actaeon), f. 71;
5. de olifant in de arena, f. 138;
6. de zwaan, f. 213;
7. de zwijgzaamheid, 2 dl. f. 5;
8. de lacher (wijzende op de dwaasheden in de glazen wereldbol),2 dl. f. 109;
10. uil met ezels (zie afb. t.a.p. blz. 249) voor dl. 3; voorts het frontispice, waarover straks meer.
Het exemplaar van de Maatsch. d. Ned. Lett. te Leiden mist de nrs. 3 en 8 en het frontispice. In de beide andere exemplaren komen al deze platen voor bij de bladzijden, die in den bovenrand der gravure zijn aangegeven, en die steeds overeenkomen met het begin van het toepasselijke stuk.

In den herdruk der Admiranda Encomia (1676 volgens het titelblad, 1677 volgens het frontispice) komen nu dezelfde platen alle voor, echter in afwijkende volgorde: bij blz. 1 vindt men nr. 6, bij blz. 94 nr. 5, bij blz. 134 nr. 3, bij blz. 148 nr. 2, bij blz. 203 nr. 1, bij blz. 278 nr. 8, bij blz. 334 nr. 4, bij blz. 602 nr. 7, en aan het slot ook nr. 10. De Latijnsche en de Nederlandsche uitgave bevatten niet geheel hetzelfde en de platen staan dan ook in de Latijn-

1) De U.B. te Amsterdam bezit ook een exemplaar van de uitgave no 2.

 

99

sche wel eens bij minder toepasselijke stukken, zoo de zwaan thans bij den lof van het ei, de allegorie van de zwijgzaamheid thans bij de lof der doofheid en Diana en Actaeon bij Barlaeus’ De ente rationis. De pagineering der Nederlandsche uitgave aan den rechter bovenhoek van den rand is van de platen verwijderd en vervangen door een grof paginacijfer in den linkerhoek.

Het frontispice van beide uitgaven is eveneens hetzelfde plaatje; het geeft de gecombineerde voorstelling van den podagralijder, den drinker, den vlooienvanger, de zwijgzaamheid en de verkleede vastenavondgangers, tegenover een schilderij (waarop olifant, zwanen en badende nymphen), gedragen door twee ezels en bekroond met een uil op de bovenlijst. Op een steenen tafel het Nederlandsche opschrift Veeler Wonderens Wonderbaarlyck Lof, en in den benedenrand: ’t Amsterdam bij Samuel Imbrecht en Adam Snewater Boeckverkoopers. A’ 1664. Voor de Latijnsche uitgave is het opschrift op de tafel veranderd in: Admiranda Rerum Admirabilium Encomia, en voorts is van onderen iets van de plaat weggenomen, waarop het nieuwe impressum: Noviomagi Batavorum, Ex Typographia Reineri Smetii. A°. 1677. Met de lijn daaronder eindigt thans de plaat; het gedeelte, waarop de twee regels met de namen der Amsterdamsche uitgevers hadden gestaan, is geheel weggesneden. Door dit alles lijdt het geen twijfel dat de prentjes oorspronkelijk voor de Nederlandsche uitgave bestemd waren.

Als nr. 10 noemden wij den uil met de ezels en deelden reeds mede dat dit prentje ook in de Latijnsche uitgave van 1676 terugkeert. Hier treffen wij nu namelijk achter in het Amsterdamsche exemplaar dier uitgave nog eens met eigen pagineering Goddaeus’ werkje, gevolgd door den ezel van Passerat aan, zonder titelblad doch met dit plaatje als frontispice. Met andere woorden: onze uitgave 5 der bibliografie (blz. 248) volgt hier, alsof zij erbij behoort, op den herdruk van uitgave 4. Het plaatje met het gewijzigde Latijnsche opschrift en de tekst komen geheel overeen met de beide onder uitg. 5. t.a.p. genoemde exemplaren in Den Haag en Königsberg. Terwijl de andere plaatjes alle een paginacijfer hebben, vindt men dit niet op het frontispice en op het plaatje van den uil. Smetius bedoelde dit laatste dus wel op deze plaats, vóór het afzonderlijke gedeelte met uil en ezel. Wonderlijk is dit wel, omdat deze beide stukken toch ook reeds in den 660 bladzijden tellenden bundel zelf waren opgenomen (de ezel op blz. 472—482, de uil op

 

100

482—601). De druk is, zooals wij vroeger op blz. 250 reeds aantoonden, letterlijk gelijk, hoewel niet identiek; het papier van het afzonderlijke uil-ezel-deeltje is echter iets dikker. Thans blijkt dus dat Smetius, na het verschijnen van zijn Encomia van 1666, de plaatjes der Nederlandsche uitgave van 1664 in handen kreeg en deze voor zijn herdruk der Latijnsche Encomia van 1676 pasklaar liet maken. Wellicht deed hij reeds vooraf het deeltje met uil en ezel herdrukken, maar dan toch spoedig daarna den geheelen bundel. De wijziging van het opschrift op het uilenplaatje en van de paginacijfers op de andere prentjes lijken van dezelfde hand; alleen de wijziging van het frontispice is keuriger verricht. Hiermee is dus ook de uitgave nr. 5 aan Smetius toegeschreven en wel waarschijnlijk kort voor 1676.

*

De prentjes, waarvan hier voortdurend sprake was, zijn tamelijk slecht; het op blz. 249 afgebeelde uilenplaatje is zeker een van de beste. Wij toonden echter reeds, dat dit in hoofdzaak een copie a rebours is van het toch wel iets betere frontispice der oudere uitgave, afgebeeld op blz. 245. Nog van een ander, namelijk de zwijgzaamheid (nr. 7) is mij toevallig het voorbeeld bekend geworden. In het raadhuis te Lausanne vindt men een schilderij met dezelfde allegorische voorstelling (afgebeeld in: Lausanne a travers les ages, door B. van Muyden e.a., Lausanne 1906, op blz. 156). De bibliothecaris der Bibliothèque cantonale et universitaire te Lausanne, de heer A. Roulin, was zoo vriendelijk mij te berichten, dat dit 1684 gedateerde schilderij wordt toegeschreven aan den Zwitserschen schilder Hans Ulrich Fisch (1613—1686) 1). Het kan een kopie zijn naar een ouder schilderij, ofwel de inscriptie die het jaartal draagt moet later zijn toegevoegd. In elk geval geeft ons prentje reeds in 1664 een ruwe herhaling a rebours van dezelfde voorstelling; slechts enkele bijzaken zijn wat vereenvoudigd en de afmetingen van het geheel zijn in andere verhouding gebracht.

F. Kossmann
Rotterdam

1) Thieme-Becker XII, n, vermeldt hem en nog eenige anderen van zijn familie als wapen- en glasschilders, in hoofdzaak dus wel als decorateurs.

 

Bron: Het boek; Nieuwe Reeks, 1935 [volgno 2], pag 97-100

 

Conradus Goddaeus en zijn Laus Ululae

Geeraardt Brandt heeft in zijn leven van Hooft aan de twee veluwsche predikanten Goddaeus en Martinius een plaats bezorgd onder de gedenkwaardige personen der nederlandsche letterkunde. „D’ eerste, Conradus Goddaeus, hadt zeer geleerdelijk, in zuiver Latijn, der menschen aardt en zeeden, onder de gedaante van zeeker dier, ontdekt; en al boertende de weerelt haare plichten geleerdt”1) …
Uit de litteraire briefwisselingen dier dagen blijkt dat dit dier de uil was. Zoowel Hooft als van Baerle betuigen Goddaeus in Januari 1643 hun bewondering voor zijn opus de laudibus ululae, dat deze blijkbaar eenige maanden tevoren aan Hooft had gezonden. In October 1642 had W. Schuyl „het lofboeckjen der uylen” reeds van Hooft te leen gehad en zond het hem op zijn aanmaning terug, hoewel hij er zijn lust nog „niet volcomentlijcken” in had „connen boeten”. Hooft verontschuldigt zich dat hij zoolang had gewacht met bedanken en zendt Goddaeus als tegengift een exemplaar van zijn juist verschenen Historien 2). Ook aan Huygens zond Goddaeus op raad van Barlaeus een exemplaar van zijn werkje over den uil 3).

De lof dezer beroemde tijdgenooten over het uilenboekje is steeds weer aangehaald door latere schrijvers, die echter van Goddaeus slechts zijn bundel Nievwe Gedichten sonder rym (1656) kenden. Aan dezen bundel kon niemand veel lof geven; het geprezen werkje over den uil werd reeds als een verloren gedicht beschouwd. Het loont zeker de moeite de aandacht opnieuw op dit inderdaad zeer vernuftige en vermakelijke latijnsche prozawerkje te vestigen, dat allerminst verloren is en waarvan ver-

1) Zie de jongste uitgave door P. Leendertz jr. (’s Grav. 1932), blz. 33 v.
2) Hooft, Brieven (uitg. v. Vloten) IV 61 v., 76; Barlaei Epistolae 899, hierna afgedrukt; daarbij ook Martinius’ Epistolae 366; beneden meer hierover.
3) Zie den brief hierna afgedrukt.

 

232

schillende uitgaven benevens een nederlandsche vertaling bewaard zijn. Vooraf zij nog eens verzameld wat over den schrijver bekend is.

De meest volledige berichten over Conradus Goddaeus bracht J. C. van Slee bijeen in zijn boekje over Franciscus Martinius, Predikant te Epe 1638—1653 (Deventer 1904). Aan de vriendschap met dezen naburigen predikant hebben wij tal van gegevens te danken, die bewaard bleven in de Gedichten maar vooral in de brieven van Martinius, na zijn dood door zijn weduwe uitgegeven: F. Martini Epistolae ad amicos (Harderv. 1653). Wat van Slee in zijn boekje (blz. 71—75) uit deze bronnen verzamelde, geven wij in het kort weer, met allerlei aanvullingen, waardoor vooral Mej. C. J. Welcker, archivaris van Kampen, en Ds. G. van der Zee te Vaassen ons hebben verplicht.

Ds. Conradus Goddaeus

Blijkens zijn hierbij afgebeeld portret van het jaar 1655 was Goddaeus toen 43 jaar oud en sedert 21 jaar predikant te Vaassen. Zijn vader, Hermannus Goddaeus, in diezelfde plaats beroepen als proponent in 1610, was er de opvolger van den laatsten pastoor, die hoewel reeds in 1600 afgezet toch tot 1609 door de Roomsch-katholieke ambtsjonkers van Epe gehandhaafd bleef. Conradus zal dus in 1612 te Vaassen geboren zijn en werd daar als proponent de opvolger van zijn vader, toen deze in 1634 overleed. Hij behoorde tot de oudste studenten van het Athenaeum te Deventer, ingeschreven op 5 Mei 1630, tegelijk met Joannes Goddaeus, die evenals hij wordt aangeduid als Vasensis en dus waarschijnlijk een broeder van hem was (van Slee, De illustere school te Deventer, ’s Grav. 1916, blz. 199). Een andere broeder Fredericus (als candidaat beroepen te Bennekom, 19 Nov. 1648, en overl. 1679) schreef een lofdicht voor Conradus’ Nieuwe Gedichten (1656). Uit het opschrift van een gedicht in dien bundel (blz. 154) kennen wij den naam van Conradus’ vrouw, Cecilia.

 

233

Steffens, en den dag van haar overlijden 24 April 1655. Zij hadden tien kinderen. 1)

Waarschijnlijk kwam Conradus zelf uit een talrijk gezin voort. Wij noemden zijn broeders Joannes en Fredericus. Martinius schrijft in een brief aan rector Wendbejel te Kampen van 2 April 1647 (blz. 530 v.) over tweelingbroeders Goddaeus, die hem op de doorreis hebben bezocht en die beiden verlangden Wendbejel te zien; de namen dezer broeders vermeldt hij niet. In Rotterdam woonde reeds in 1659 Henricus Goddaeus, die als „jonkman van Vaassen” 23 Nov. van dat jaar ondertrouwde; deze en zijn zoon Hermannus zijn in Rotterdam als boekdrukkers en uitgevers bekend 2). Vermoedelijk is ook Henricus een broeder van Conradus en dus mede een zoon van Ds. Hermannus.

1) Het doopboek van Vaassen leert ons een vijftal kinderen met name kennen: Hermannus (5 Trinit. 1643), Conradus (Quasim. 1645), Anna (17 Trinit. 1647), Elisabet (19 Trinit. 1648), Anna (Reminiscor 1650). Uit de brieven van Martinius blijkt dat deze laatste het tiende kind moet zijn geweest en dat het vierde dochtertje, vermoedelijk dus de 1647 geboren gelijknamige Anna, kort tevoren overleed (brief van 5 Maart 1650, blz. 566); 12 Mei 1645 schrijft hij (blz. 474), dat Goddaeus’ zevende kind is geboren, een jongen die den naam van zijn vader draagt, en in een brief van 13 Oct.1648 (blz. 540) bericht Martinius dat hij juist Goddaeus’ negende kind heeft gedoopt; in denzelfden brief is sprake van het bezoek van een puer Wilhelmus Goddaeus, die dus een van het vroeger geboren vijftal kan zijn geweest. Deze Willem, die genoemd was naar zijn grootvader van moeders zijde Ds. Wilhelmus Stephani, komt bij Martinius nogmaals voor in den brief van 13 Oct. ’48 (blz. 540) en van 11 April ’49 (blz. 551), waar gezegd wordt dat hij naar Kampen zal komen om bij rector Wendbejel school te gaan. Tot de oudere kinderen behoorde zeker ook een dochter Abigaïl, die 30 Sept. 1655 met Joannes Peregrinus huwde (Nieuwe Gedichten blz. 160), en nog een dochter Femina, van wier geboorte wij wederom bij Martinius hooren (brief van 11 Maart 1641, blz. 323 v.). Er moeten dus, om het tiental vol te maken, behalve deze drie nog twee kinderen voor 1643 zijn geboren, waaronder nog één meisje, daar Anna het vierde meisje was.
2) Henricus huwde met Johanna Snoek, jongedochter van Stolwijk, wonende te Rijnsburg; tusschen 1660 en 1680 lieten zij elf kinderen doopen: Fenna, Abraham, Sara, Catharina, Hermannus, Jacobus, Isaak, een kraamkind zonder naam, Abraham, Johannes en Hillegonda. Hij was boekdrukker in den Oppert (reeds 1674) en gaf uit: Korte beschrijvinge van het eylandt Westvoorn ende de geschiedenissen van de stadt Goederede, kostelijck bij een versameldt door H. v. Dam, Goeree. Tot Rotterdam. Gedruckt by Henricus Goddaeus, Boekverkooper in den Oppert, Anno 1680. In 1687 wordt de Weduwe Henr. Goddaeus vermeld. De zoon Hermannus, gedoopt 27 Mei 1668, trouwde Sara Elsevier en hertrouwde Willemina Bellaert; tusschen 1698 en 1709 liet hij vijf kinderen doopen: uit het eerste huwelijk Henricus, Abraham en Johanna, uit het tweede Frans en Hillegonda. De eerste uitgave van G. van Spaan’s Beschrijvinge der stad Rotterdam en eenige omliggende dorpen heeft als adres: Te Rotterdam gedrukt bij Hermannus Goddaeus, Boekdrukker in de Lomberdstraat 1698. (Ledeboer, Boekdrukkers enz. 1872, blz. 327; dezelfde, Alfab. lijst, 1876 blz. 63; aangevuld met gegevens uit het Gemeentearchief te Rotterdam).

 

234

De naam Goddaeus, Goeddaeus, Goeddeus, komt in de 17e en 18e eeuw aan de nederlandsche hoogescholen vrij vaak voor, veelal met herkomst uit Steinfurt, Cassel en Marburg. Of het een in het sassische land algemeene naam was, danwel of het hier een uitgebreide familie van gestudeerden betreft, valt voorshands niet uit te maken 1).

***

Dominus Conradus Goddaeus, bedienaar des goddelijken woords te Vaassen is, volgens de bewaarde trouwboeken in het Gemeentearchief, op 31 Dec. 1634 te Kampen ondertrouwd en op 20 Januari 1635 in de Bovenkerk gehuwd met Cicilia Steffens, jongedochter van Wesel. Zij moet een dochter zijn van Ds. Wilhelmus Stephani, te Kampen beroepen uit het Hof van Kleve 1615, om zijn remonstrantsche neigingen 1616 naar Arnhem geweken, doch 1619 teruggekeerd en tot zijn overlijden in 1636 te Kampen predikant. Met de familie van Ds. Stephani zal Goddaeus reeds goed bekend zijn geweest. Een zoon Johannes Wilhelmus was, na een vijftal jaren in IJsselmuiden, sedert 1630 predikant te Epe (waar hij 1637 overleed en 1638 door Martinius werd opgevolgd). De jongere zoons Henricus en Robertus Stephani kwamen Nov. 1631 te Deventer studeeren. Een zuster Anneken was 1627 gehuwd met Hubertus Fabritius, predikant te Oene (die echter reeds in 1631 als weduwnaar hertrouwde). In de naaste

1) In het Album studios. van Groningen vinden wij 1628 een philos. stud. Johannes Henricus en een jurist Wilhelmus Henricus; te Deventer in 1630 de beide broeders uit Vaassen Conradus en Joannes; te Leiden 1635 een Adolphus Fridericus phil. en een Johannes Henricus theol., beiden uit Steinfurt; mogelijk is de laatstgenoemde uit Groningen daarheen getrokken; Adolphus Fridericus vinden wij in 1637 te Groningen als med., in 1640 te Deventer en in 1642 nogmaals als med. te Leiden, de beide laatste malen weer aangeduid als Steinfurtensis (indien de leidsche leeftijdsopgaven juist zijn kan het echter niet vier maal dezelfde persoon zijn); in 1651 promoveert te Groningen Johannes Henricus, theoloog uit Steinfurt (wellicht dezelfde die daar reeds 1628 in de philos. ofwel degeen die 1635 te Leiden in de theol. faculteit werd ingeschreven); 1660 vinden wij te Groningen een jurist Johannes Henricus; 1667 aldaar een philos. Johannes uit Steinfurt; 1671 aldaar een Gerhard Adolph uit Steinfurt, wellicht dezelfde die 1676 te Utrecht verschijnt; 1675 te Groningen een jurist Wilhelmus Bernhardus uit Steinfurt; 1676 te Leiden een jurist Joannes uit Cassel; 1680 te Groningen een theoloog Ernestus Philippus uit Steinfurt; 1712 te Leiden een jurist Nicolaus Guilielmus uit Cassel; 1723 te Utrecht een Hermannus Fridericus uit Marburg; 1725 te Leiden een jurist Fridericus uit Cassel; 1737 te Groningen een literator Johannes Henricus uit Drente. Tenslotte kent Ledeboer (Alfab. lijst) in 1789 te Leiden nog een boekverkooper Cornelis Willem.

 

235

omgeving van Vaassen trof Goddaeus dus reeds een oudere zuster en een broeder van zijn toekomstige vrouw aan; twee jongere broers kan hij als medestudenten te Deventer hebben gekend. Martinius, zeker ook een vriend des huizes, studeerde toen in Leiden en werd blijkbaar door den kamper rector Wendbejel op de hoogte gebracht met het aanstaande huwelijk van Cecilia. In zijn brief aan dezen van midden December 1634 schrijft Martinius daarover (blz. 111 v.): „ik zal aan Uw verzoek om een bruiloftsdicht voldoen en wel zonder al te veel gekheid… Maar hoe zit het met den naam van den bruidegom? Want voor het eerste gedeelte heet hij Conradus, maar voor het tweede is hij tot nog toe anonym… Het is niet voldoende dat Robertus Stephani hier ook in Leiden is. Want uit dien man is geen woord te krijgen… Ik geloof dat als vader Stephani niet wat toeschietelijker was er van geen bruiloft zou komen!”… Hij vraagt dan naam, leeftijd, aanleg en wat er verder te vertellen is over den bruidegom, en den juisten dag van de bruiloft. Zoo treedt dus Goddaeus het eerst als Conradus anonymus op in de brieven van Martinius, die hem later geregeld met den bijnaam Theonymus zal versieren. De gevraagde inlichtingen schijnen spoedig gekomen te zijn. In zijn volgenden brief aan Wendbejel van 1 Jan. 1635 (blz. 113— 117) geeft Martinius allerlei commentaar op zijn met dien brief toegezonden gedicht. Dit bruiloftslied is niet bewaard gebleven, maar de uitlatingen in den brief toonen dat het in het Nederlandsch was gesteld en meer of minder in den trant van Huygens.

Over het ambtelijk leven van den predikant van Vaassen vond Ds. van der Zee belangrijke berichten in het Acta-boek der Classis Harderwijk. In 1638 was Goddaeus scriba der vergadering. Van 1639—41 was hij kerkvisitator. Op 28 Sept. 1642 werd te Oene een buitengewone classicale vergadering gehouden, waarop het verzoek aan de orde kwam om in Vaassen een Kerkeraad te mogen hebben, die er dus blijkbaar nog niet was. Op de vergadering van 11—13 Juli 1643 te Harderwijk werd dit verzoek nader behandeld, met het gevolg dat 20 Sept. d.a.v. te Vaassen zelf een bijeenkomst (waarop ook Martinius aanwezig was) plaats had, die de instelling van den Kerkeraad regelde. Over dorpelingen, die door meer en mindere ernstige vergrijpen en door ontwijding van den zondag met ganstrekken, papegaaischieten en derg. hun predikanten moeite bezorgen, lezen wij zoowel in de classicale acta als in de brieven van Martinius. Ook het katholicisme, dat in

 

236

Vaassen o.a. op het slot de Cannenburgh onder de bescherming der ambtsjonkers van Epe zelf in het geheim voortleefde, gaf den predikant en de classis zorg. Daarvan is o.a. sprake als Goddaeus in 1650 eenigen tijd op reis is. In de doop- en trouwregisters van Vaassen is dan een lacune waarbij staat aangeteekend dat deze boeken niet zijn bijgehouden daar de predikant een reis naar Keulen had ondernomen. Martinius helpt ons ook hieromtrent aan nadere gegevens: in een brief aan Wendbejel van Oct. 1649 (blz. 555) vertelt hij, dat Goddaeus met zijn zwager Henricus Stephani naar Keulen is vertrokken voor een oude blijkbaar financieele kwestie van de erfgenamen van Wilhelmus Stephani en een zekere vrouw Jansen, waarover de vrienden zich al dikwijls vermaakt hadden. In Dec. ’49 (blz. 562) schijnt Goddaeus thuis te zijn, maar met zijn gedachten nog geheel in Keulen. Als Martinius 5 Maart 1650 (blz. 566) over het overlijden van Goddaeus’ dochtertje schrijft, is er geen sprake van zijn afwezigheid. In een brief van 23 Juni 1650 (blz. 572) hooren we van een verzoek van Goddaeus’ vrouw aan Martinius, waaruit wellicht is op te maken, dat hijzelf toen weer op reis was.

Herhaaldelijk vernemen wij over ziekten en ongevallen van Goddaeus; hijzelf schrijft aan Huygens 25 Febr. 1643, dat hij zijn Laus ululae meer dan een jaar tevoren tijdens een langdurige ziekte samenstelde; Martinius bericht 29 Aug. 1641 (blz. 335), dat Goddaeus al een grafschrift voor zich zelf had opgesteld; 21 Dec. ’45 schrijft hij (blz. 496) over een ongemak aan diens rechterarm waardoor hij vreest het avondmaal met de linkerhand te moeten bedienen; 25 Juni ’46 (blz. 509) heeft hij een bloeding gehad, nadat hij uit Kampen is thuisgekomen, en ook zijn voet bezeerd; 13 Oct. ’48 (blz. 540) is hij door hoofdpijn verhinderd met zijn zoon Willem mee naar Epe te gaan. In 1653 meldt Goddaeus zich ziek bij de classicale vergadering en evenzoo in de volgende jaren. Op de vergadering te Nijkerk 8 Mei 1655 doet hij dit met een gedicht, waarin hij ook den dood van zijn vrouw op 24 April 1655 herdenkt en tevens vraagt Johannes Peregrinus voor eenige maanden als hulpprediker te mogen hebben. Hij verzoekt daarbij de classis zijn gedichten te willen keuren, die hij in het volgende jaar met een 1 Juli 1656 gedateerde opdracht aan de Staten van Gelderland in druk liet uitgaan. In dezen bundel treft men het bedoelde gedicht in rijmlooze hexameters aan (blz. 154—158), gevolgd door een gelukwensch in verzen aan Peregrinus op zijn

 

237

bevestiging te Vaassen, 5 Aug. 1655, en een jaardicht op het huwelijk van zijn hulpprediker met zijn dochter Abigaïl, 30 Sept. van dat jaar (blz. 158—160). Goddaeus verkreeg in 1656 emeritaat, doch beleefde nog dat zijn schoonzoon en opvolger Peregrinus in 1657 overleed. Zijn eigen dood wordt in het classicaal Actaboek op 1658 gesteld.

Zijn dichtbundel verscheen onder den titel: Conradi Goddaei Nievwe Gedichten sonder rym, naa de Griexe en Latynse Dichtmaten, op allerhande soorten van Verssen, ingestelt. Noit voor desen in Neder-duits gesien, noch gebruiklik. Tot Harderwyk, By Joannes Toll, Ordinaris Drukker der Academi des Vorstendoms Gelre, ende Graefschaps Zutphen. In ’t jaer, M D C L V I. Dit boek wordt in alle uitvoerige geschiedenissen der nederlandsche letterkunde vermeld; het bevat zooal niet de oudste dan toch de uitgebreidste proefnemingen met rijmlooze metrische verzen in onze 17e eeuwsche literatuur en geeft over deze verstechniek in een uitvoerige en zeer merkwaardige voorrede rekenschap 1). Het werk van Goddaeus op dit gebied is een curiosum en heeft geen blijvende bewondering of navolging kunnen vinden.

Martinius was hem in den dood voorgegaan. Goddaeus plaatste in zijn bundel het laatste Nieu-jaers-dicht, dat hij den vriend opdroeg „als sy beide op een tyd met een sware siekte waren bevangen” (blz. 151), en liet daarop onmiddellijk het grafschrift in het Latijn en het Nederlandsch volgen, dat hij den 14 Januari 1653 overleden „seer getrouwen herder der Gemeinte tot Epe” nazond. Al kon Martinius dus zelf het verschijnen van Goddaeus’ bundel niet meer met een lofdicht begroeten, toch kende hij diens nieuwe verspraktijk en theorieën reeds en eerde zijn vriend daarvoor dan ook in 1652 met eenige latijnsche verzen. Deze verzen werden als bijschrift gegraveerd onder het in 1655 vervaardigde portret.

Dit portret 2), door den Amsterdamschen graveur Abraham Conradus 3) vervaardigd, toont een sprekenden geestigen kop. De rechterarm steunt op een in leer gebonden bijbel met koperen hoeken; met het opengeslagen oblong liederboek wordt zeker

1) Vgl. F. Kossmann, Nederlandsch versrythme (1922), vooral blz. 54—56.
2) De hier gegeven afbeelding is verkleind; de oorspronkelijke plaat meet 28,7 bij 18 c.M. Het portret is bewaard in het exemplaar der Nieuwe Gedichten van het Rotterdamsch Leeskabinet.
3) Thieme-Becker, Allg. Lex. d. bild. Künstler VII, 316.

 

238

de bundel Nieuwe Gedichten bedoeld. Deze bevat weliswaar geen muzieknoten, maar

In stede van noten vind gij de geheele gedaente
Van verssen, voeten, maten vertoont boven yglik (blz. I).

De graveur kon weten dat het boekje o.a. Psalmen zou bevatten, maar daar het nog niet verschenen was kon hij het niet naar de werkelijkheid afbeelden. Op het frontispice van de Nieuwe Gedichten zelf zijn o.a. koning David en Horatius en een zwaan afgebeeld, en ook zulk een opengeslagen oblong boek met muzieknoten. Het gedicht van Martinius dat onder het portret is geplaatst handelt in zijn 3 disticha inderdaad geheel over Goddaeus’ „nova poesis belgica”, zijn metrische nieuwigheden in de nederlandsche dichtkunst. Het duodecimoboekje in hoornen band, dat de geportretteerde in de linkerhand houdt, stelt natuurgetrouw zijn andere werkje voor: de Laus ululae.

Het is een merkwaardig toeval dat de persoon van Goddaeus en de Laus ululae elkander in de literatuur geheel zijn kwijt geraakt. Nu zij elkaar weer gevonden hebben blijkt dat omtrent hun saamhoorigheid niet de minste twijfel kan bestaan.

In een brief van Martinius van 25 Mei 1639 (blz- 251) lezen wij een aardigheid: de deputaten van onze classis zijn dit jaar Ds. Curtius en Ds. Jaël en dat is net zoo iets als het bekende „ Julio et Caesare consulibus”. Curtius Jaël is dus de bijnaam van één persoon en toen reeds wisten de vrienden wie daarmee bedoeld werd. Op 4 Febr. 1642 schrijft hij aan rector Wendbejel (blz. 340): Onze vriend zit aan alle kanten in den druk, thuis met veel werk, en te Deventer in de openbare persen 1). Begrijpt ge mij? Ik spreek over zijn uil, die alle vogels in verbazing zal zetten. Hij heeft dikwijls gewenscht dat U zijn Aristarchus (criticus) zoudt zijn, doch vergeefs. Nu verschijnt hij

Glaucopoli

Apud Caesium Nyctimenium,

In platea Ulularia, sub signo

Vladislai Regis Poloniae.

1) Amicus noster undique premitur, multis negotiis domi, & publicis prsaelis Daventriae … Het is niet mogelijk al de woordspelingen in de vertaling te laten uitkomen.

 

239

In den volgenden brief van 12 Maart (blz. 341) spreekt hij over Goddaeus als: Theonumos, die sedert eenigen tijd onder den naam Curtius Jaël is schuil gegaan, waarvan het eerste gedeelte aan de romeinsche, het tweede aan de gewijde geschiedenis is ontleend.

Op 15 Nov. 1642 maakt Martinius (blz. 363) allerlei toespelingen op uilen: Wij hebben onlangs op het examen veel moeten lachen over zekere dwaze uilen, maar dag-uilen; want dat men ze om hun belachelijkheid nachtuilen zou mogen noemen ontkent onze Encomiastes (lofschrijver). Eenige maanden later, 10 Febr. 1643, schrijft hij (blz. 366) over het succes van Goddaeus, dien hij bij deze gelegenheid als Cecropides, d.w.z. Athener, betitelt: Onze Tacitus, d.w.z. Hooft, heeft hem zijn Historiën gezonden met een zeer minzaam schrijven. Ook van andere latinisten had hij vlei-

 

240

ende brieven ontvangen en dezen zouden onder anderen ook aan den secretaris van den Prins, d.w.z. aan Huygens, schrijven. Men wilde blijkbaar moeite doen om hem van het platte land naar een standplaats in een stad te helpen.

Het boekje over den uil, door Conradus Goddaeus geschreven en onder het doorzichtige pseudonym Curtius Jaël 1) uitgegeven, werd dus in Febr. 1642 te Deventer gedrukt, met het door Martinius vermelde fictieve uitgeversadres. Deze zeldzame eerste uitgave der Laus ululae is mij in drie exemplaren bekend geworden, waarvan een thans in de Gemeentebibliotheek te Rotterdam.

Van de briefwisseling met de beroemdheden die Martinius vermeldt is inderdaad een en ander bewaard gebleven. Goddaeus moet in den loop van 1642 aan Hooft een exemplaar van zijn boekje hebben toegezonden. Uit het briefje van W. Schuil aan Hooft, dat trouwens niet van veel begrip getuigt, blijkt dat deze het ter lezing had behouden en het nu, 18 Oct., op Hooft’s verzoek, na vluchtige kennismaking, terug zond (Hooft’s brieven, uitg. v. Vloten, IV, 61 v.). Hooft zelf zond dan als dank op 12 Januari 1643 een exemplaar van zijn Nederlandsche Historiën aan Goddaeus met een wel erg deftig latijnsch briefje; daarin spreekt hij over den brief van Barlaeus waarmee hij geheel instemt (t.a.p. IV, 76). Deze brief van Caspar van Baerle was blijkbaar bij Hooft’s zending ingesloten. Hij komt voor als nr. 460 in Barlaei Epistolarum liber (Amst., J. Blaeu, 1667 blz. 899— 900). De hartelijkheid en het gunstige oordeel van dezen geleerde, die zelf ook wel dergelijke latijnsche werkjes vervaardigde, mogen hier nog eens blijken:

Vir doctissime,

Concessit mihi lectionem Satyras tuae nobilissimus Hoofdius, Satrapa Muydensis. Valde me affecerunt Ululae tuae laudes, in quibus cum eruditione urbanitatem, cum utraque prudentiam junxisti. Prodes & delectas: prius facis saluberrimis monitis, posterius non illiteratis jocis & salibus. Doctrinam tuam per tot scriptorum paginas & latifundia diffusam prodis, apposite quae ad rem praesentem faciunt explicando, ut nusquam vel delphinum sylvis appingas, nee fluctibus aprum. Istiusmodi scribendi genus amo, & simili fere modo res serias dixi, in Orationibus meis de Ente Rationis & Reali, etiam in Nuptiis Peripateticis. Quae severitate dictionis persuaderi non possunt, incrustas venustate & verborum suavitate, ne fastidio sint. Multum tibi

1) Curtius = Koert, Conradus; Ja-el, hebreeuwsch = Jahwe is God = God-deus.

 

241

debent Ululae, quas aeternitati consecrasti, uti Moria plurimum debet Erasmo, Calvitium Synesio, Umbra Douzae. Certe hae nugae seria ducunt, & ingenia mortalium moresquehominum depingunt, sub speciosi animalis imagine. Si verum est Pythagorae placitum de animarum transmigratione, puto saepius ulularum animas in nostra corpora transire, ad quarum indolem mortales singuli plus minusve componuntur. Vnum dicam: non debebas in ulularum sedibus, & desertis Velavise locis vivere, verum in luce hominum, & quidem doctiorum, ne praeclarae ingenii tui dotes cum jactura publica int er ruricolas evanescant. Fui nuper Hagae Comitis, & doctrinae tuae apud Zulechemi Dominum praeco fui. Exemplar illi mittas velim libelli tui. Vellet Muydensis Satrapa te hic apud populum dicere, ut amoenissimi ingenii tui fructu propius frui liceret. Ego amore tui, & libelli suavitate captus, haec ad te scribere in animum duxi, ut credas non deesse alibi, quibus vis est dijudicandi bene dicta. Vale. 11 Ianuar. 1643.

Goddaeus heeft den goeden raad van Barlaeus opgevolgd en ook aan Huygens een exemplaar van zijn boekje gezonden. Worp vermeldt in het kort den inhoud van het briefje dat deze zending begeleidde (Briefwisseling van Const. Huygens uitg. J. A. Worp, III blz. 370, nr. 3227). De brief zelf is bewaard in het British Museum en werd nog niet uitgegeven. Wij laten hem hier volledig volgen, omdat hij juist over den aard van het uilenboekje met Goddaeus’ eigen woorden een indruk geeft.

S.P.

Nobilissime, Amplissime Domine.

 

Quod in tanta fama ac fortuna tua, quae publicis tantum negotiis destinata est tam familiariter ad Te scribo, non nostra impudentia est, sed aliena impulsio; quamvis non ita alieni hominis, ut non amor ejus tibi domesticus sit, mihi certè authoritas ejus plus quam publica fuit. Clarissimus D. Barlaeus est, quimihi literas ea de re persuastrices scripsit. Itaque si pecco (quomodo enim non peccem, nisi vitium authore redimam?) ille mei criminis patronus erit, qui mihi Dux ad audendum fuit. Utinam autem, quam facilis mihi persuasor erat, tam felix quoque Tui conciliator esset, non alio proxeneta merces meas Tibi obtruderem. Annus est, & quod excurrit, quod in morbum incidi lentum & morosum, quo tempore cum nihil serii cogitare poteram, coepi meditari argumentum aliquod jocosum, & in solitudine nostra nobis obvium, De Ulula. Sed ut divina dementia paulo post me mihi restituit; ita humana quoque benevolentia meas nugas nimis avidè arripuit: Ulula nostra in lucem protracta est, & nescio quo pacto Mostellum hoe medio die placere potuerit illustribus ingeniis, nisi cogitarem, illam ipsam Noctuam avibus reliquis admirationi esse solere non pulcritudinis caussa, sed deformitatis. Quicquid sit, Tibi certè, Nobillissime vir, mittenda

Het Boek XXII 16

 

242

non erat, qui fortasse libellos hos pro elegantia tua aversaris, ut Augustus terrarum dominus pumilos atque distortos & omnes generis ejusdem, ut ludibria naturae malique ominis abhorrebat: adeö ut nihil in Te magis sit monstrosum, quam quod nihil hac parte monstri habeas. Docent hoe exactissima ingenii tui monumenta inter qua nuper legi illud de usu Organi nostri. Profecto si ullus divini istius instrumenti usus superest, Tuus ille, quem propugnas, verus & unicus est, ita quidem, ut si quis contra sentiat, nihil sentiat. Interim vides humanam imbecillitatem — Taedet.

 

Quae pueri didicere, senes perdenda fateri.

 

Adeò nobis etiam vitia nostra placent, si ab usu & astate corroborentur. Veruntamen non omninö peribunt Pleuritides istae regulae aureoli operis, quamvis non omnibus arrideant: Suus olim pietati fructus constabit. Vale, Nobilissime & spectatissime D[omi]ne. Et, si clariss. D. Barlaeum criminis absolvis, me quoque excusa, quod authoritatem ejus secutus sim. Dabam in Vaessen V. Kal. Mart. M C I C C X L III (???).

 

Tuae Nobilissimae Magnificentiae studiosissimus et observantissimus

 

Conradus Goddaeus, Pastor in Vaessen.

Het antwoord van Huygens is niet bekend en hoe de briefwisseling door Goddaeus werd voortgezet weten wij niet; uit de eerstvolgende jaren is niets bewaard dat daarop betrekking heeft. Van een kans op een predikantsplaats in een der steden of zelfs maar van een reis naar Holland blijkt nergens. Martinius, die zelf nog al eens onder weg was en juist weer familie had bezocht in Amsterdam, schrijft 26 Feb. ’43 uit Epe aan Wendbejel (blz. 370): Goddaeus heb ik na mijn reis nog niet gesproken, maar ik geloof dat hij die beroemde Amsterdammers reeds heeft geantwoord. Hij zelf had intusschen met die beroemdheden nog geen kennis gemaakt, doch zou bij een latere reis in 1645 juist door een aanbeveling van Goddaeus daartoe gelegenheid krijgen. Op 13 Febr. 1645 namelijk schreef Goddaeus aan Hooft een latijnschen brief, die voorkomt in een verzameling Epistolae celeberrimorum virorum uitgegeven door Joh. Brandt (Amst. 1715) blz. 188— 190, en nog eens herdrukt werd door G. Penon in zijn Bijdragen tot de geschiedenis der nederlandsche letterkunde II (Gron. 1881) blz. 76 v. Deze brief begint met een verontschuldiging dat hij in zoo lang niets van zich had laten hooren. Hij verbreekt dan nu dat zwijgen en spreekt zijn bewondering uit voor Hoofts Historien en andere werken, die hem dikwijls hebben vertroost in de droeve

 

243

eenzaamheid van de Veluwe. Hij vraagt hem zijn nabuur Martinius te willen ontvangen, waardoor Hooft de beide vrienden gelijkelijk zal verplichten, en verzoekt hem ook Barlaeus te groeten. Martinius doet in een tweetal brieven aan Wendbejel van 26 Febr. en 2 Maart uitvoerig verslag van zijn bezoeken en roept dan ook uit, dat hij dat alles aan Goddaeus te danken heeft (blz. 466 v., 477 v., bij Penon t.a.p. 77—79 en ook omstandig naverteld bij van Slee blz. 7 v. 82, 85). Hooft gaf aan Martinius een pakje voor Goddaeus mee, waarin een exemplaar van Huygens’ Heylige dagen met een briefje van den drost en ook weer een brief van Barlaeus. De brief van Hooft, gedateerd 7 Maart 1645 te Amsterdam (bij van Vloten IV, 166 v., bij Penon 80 v.) is ditmaal in het Nederlandsch en bevat de twee vaak geciteerde uitspraken, dat hij hem zijn „gouden Latijn” betaalt met „dit kooperen Dujtsch”, doelende op de taal van den brief, en dat hij door de kennismaking met Martinius als tweeden veluwschen literator heeft geleerd „dat het den doornen van dat gewest aan maght mangelt om de roozelaars te verstikken”. Meer dan een zekere hoofsche welwillendheid kan men uit dit briefje niet lezen. Iets meer persoonlijke belangstelling blijkt wel uit het schrijven van Barlaeus, die blijkbaar aan Martinius ook eenige epigrammen voor Goddaeus had meegegeven. De brief is te vinden in Barlaei Epistolae blz. 923 v. en daar foutief gedateerd 7 Feb. (moet zijn 7 Maart) 1745. Ook hier blijkt wel dat Goddaeus geen geregelde betrekking met deze Amsterdammers heeft onderhouden. Ik zie uit uw brief aan Hooft, schrijft van Baerle, dat gij ons nog niet vergeten zijt. Ik zou wel willen dat gij dichter bij ons waart, opdat gij Uw Uil met nieuwe veeren kondt voorzien en onthalen. Verder heeft hij het over het kwaad van de wereld, kerkelijken twist en oorlogsrumoer: gij die ver daarvan leeft en dat alles slechts bij geruchte verneemt, zijt er te gelukkiger om. Op 13 April schreef Martinius nog eens aan Hooft (Epist. celeb. vir. 190, bij Penon 81) en sloot daarbij een gedicht in, waarover Hooft 20 April aan van Baerle schrijft (v. Vloten IV, 182), dat hij achter dien predikant geen dichter gezocht had. De voorstelling als zouden Goddaeus en Martinius tot den zoogen. Muiderkring te rekenen zijn heeft door Brandt’s woorden in zijn leven van Hooft wel wat vaster vorm aangenomen dan zij verdient.

Intusschen had het letterkundige leven op de Veluwe niet stil gestaan en de uil was inderdaad opnieuw in de veeren gestoken.

 

244

Op 13 Juni 1644 berichtte Martinius (blz. 445) aan den Kampenschen rector: om hier ook nog iets over Minerva en haar vogel bij te voegen, onze vriend is van plan morgen naar Epe te komen en met mij over een nieuwe uitgave te spreken. En 24 Nov. 1644 schrijft hij (blz. 456) daarover: onze vriend is wederom onder de drukpers en de zaak van de uilen is weer hevig in bedrijf. Wij mogen hieruit dus opmaken, dat Goddaeus in het najaar van 1644 een tweeden druk van zijn Laus ululae bezorgde.

Met deze gegevens is het thans mogelijk de verschillende drukken van Goddaeus’ boekje te rangschikken.

1. LAUS ULUL.E Ad Conscriptos Ululantium Patres & Patronos. Authore Curtio Jaele. [houtsnede: uil en spiegel] Prostat Glaucopoli Apud Csesium Nyctimenium, In platea Ulularia, sub signo Uladislai Regis Poloniae. [Gedrukt te Deventer 1642].

blz. [2] [een distichon:] Noctua blanda veni… blz. 3—5 Lectori festivo salutem [de beginletter A is met een uil versierd]. blz. 6—7 (…) authoris ad Ululam et Ululantes Patronos. [blz. 8 wit], blz. 9—70 Laus Ululae [de eerste letter van den tekst, een D, is met een uil versierd], [blz. 120 foutief gepagineerd 229, blz. 162— 163 foutief 193—193]. blz. [171]
I Phaedrus De cicada & noctua. blz. [172]
II Jacobi Micylli Epigramma. . . Idem Latinum, mterprete Reusnero. blz. [173] Candido Lectori S. [errata], [blz. 174 wit], blz. [175] [distichon:] Noctua blanda vale… blz. [X76] [houtsnede: uil en spiegel, grooter dan op het titelblad]. Spiegel der blz. 11 bij 5,5 c M.

Exemplaren in de Gemeentebibliotheek te Rotterdam (49 E 15) en in de Universiteitsbibliotheken te Königsberg (V82) en Münster (X2200).

 

245

2 [Gegraveerd frontispice: mannenfiguur met uilenkop en uilenklauwen, een uil houdend in de rechterhand, zittend op de wereldbol, waarin menschen van alle standen met uilengezichten zijn afgebeeld; opschrift op de borst van de hoofdfiguur Laus ululae].

3 [Titelblad blz. 3:] LAUS ULULAE… [enz.] Authore Curtio Jaele. Editio secunda, priori multò auctior & emendatior. [dezelfde houtsnede als op den titel van de 1e uitgave]. Prostat Glaucopoli…. [enz.] [Gedrukt te Deventer 1644].

blz. [4] Noctua blanda veni. .. blz. 5—7 Lectori festivo Salutem [dezelfde met een uil versierde beginletter A als in de 1e uitg.]. blz. [8]—9 (…) authoris. .. [blz. 10 wit], blz. 11—195 Laus ululae [dezelfde versierde beginletter als in de 1e uitg.].

 

246

[foutieve pagineering: vel H begint i.pl.v. met blz. 169 met 159 ….
Exemplaren in de Gemeentebibliotheek te Rotterdam (49 E 6) + Koninklijke Bilbliotheek in Den Haag (183 M 36) …
Deze druk wordt beschreven door: Gabr. Martin, Bibliotheca Bultelhana seu catalogus bibliothecae Caroli Bulteau (Paris 1711) 1 nr. 4406, en door Barbier in zijn Dictionnaire des ouvrages anonymes et pseudonymes III nr. 12348.

3 [Gegraveerd frontispice: in een landschap een soort bouwval met een uil (als lokvogel?) Op een staak, waaromheen vogels vliegen; op den voorgrond zit een man (vogelaar?); in de lucht een banderol met opschrift: Laus Vlvlae]. [Titelblad blz. 3:] LAUS ULULAE [enz.] Authore Curtio Jaele. [Fleuron met vruchten]. Prostat Claucopoli Apud Caesium Nyctimenium, In platea Ulularia, sub signo Amatoris Ululae. [Gedrukt te Amsterdam! omstr. 1655}].

blz. [4] Noctua blanda veni…. blz. 5—7 Lectori festivo salutem blz 8—10 (…); authoris… blz. 11—243 Laus Ululae. blz. [244-245],
I Phaedrus. De cicada & noctua. blz. [246]
II. Jacobi Micylli Epigramma. .. Idem Latinum, interprete Reusnero. [blz. 247—248 wit]. Spiegel der blz. 8 bij 3 3/4 c M.
Exemplaren in de Universiteitsbibliotheek te Amsterdam (398 F 31), de Preussische Staatsbibliothek te Berlin (G 9523, een prachtig geheel onafgesneden exemplaar) en de Univ. bibl te Komgsberg (Bea 35 G 7953).
Deze druk wordt beschreven bij Martin nr. 4405 en Barbier t.a.p. (zie onder 2), bovendien in Vinc. Placcius, Theatrum anonymorum et pseudonymorum 2e afd. p. 207—208 en bij Graesse, Iresor de livres rares IV, 124, die het werkje op 1630 stelt. Éd Rahir vermeldt in zijn Catalogue d’une collection unique de volumes imprime par les Elzevier et divers typographes Hollandais du XVIIe siècle (Paris 1896) op blz. 224 onder nr. 2036 een exemplaar van deze uitgave, waarin echter blz. 243 foutief gepagineerd is 143, en schrijft deze toe aan Jodocus Janssonius te Amsterdam, vermoedelijk op grond van het fleuron op den titel, dat hij bij meer stukken van denzelfden drukker aantrof, dat echter zeker ook door anderen werd gebruikt (o.a. in Paulus Matthijsz. uitgave van Erasmus’ De civilitate morum puerilium Amst. 1653). Zeker is dat deze herdruk der eerste uitgave typografisch zeer goed verzorgd is in bijzonder

1) Dit gedicht komt reeds voor in Iacobi Eyndii ab Haemstede Poemata, Lugd Bat. Henr. ab Haestens 1611, in de afdeeling Nugae op blz. 170—176.

 

247

klein formaat en door een der groote firma’s van dien tijd moet zijn vervaardigd. Het exemplaar te Berlijn heeft de door Rahir bedoelde foutieve pagineering 143 i.pl.v. 243. Het vel Q, blz. 241—[246] is blijkens dit en enkele andere typografische verschillen opnieuw gezet, zonder dat er overigens iets in is gewijzigd. Een andere foutieve signatuur H 3 i.pl.v. M 3 op blz. 181 hebben de 3 exemplaren gemeen. Deze druk komt letterlijk overeen met de 1e uitgave, tot zelfs in drukfouten, b.v. twee maal het woordje ut op blz. 139 (ie uitg. blz. 98) en pulum i.pl.v. paulum op blz. 213 (1e uitg. 149). Deze fouten zijn verbeterd in de 2e uitg. en in 4 en 5 die haar volgen (resp. op blz. 123, 551, 69 en 172, 287, 105). De eenige wijziging die de drukker van 3 aanbracht is in het adres op den titel, waar hij foutief Claucopoli zette en den koning van Polen (Wladislaw IV regeerde van 1632—48 en was dus inmiddels overleden) verving door den Amator Ululae.

4. LAUS ULULAE … Authore Curtio Jaele. Prostabat Glaucopoli… [adres overeenkomstig de uitgaven 1 en 2].

Herdruk van de 2e uitgave, onmiddellijk beginnend met den tekst, zonder het voorwerk of de toevoegingen, komt voor op blz. 482—601 in de verzameling: Admiranda rerum admirabilium encomia. Sive diserta & amcena Pallas. .. Noviomagi Batavorum. Typis Reineri Smetii 1666. Het frontispice stelt een gewapende Pallas voor. De bundel bevat 23 stukken van soortgelijk gehalte, encomia op allerlei vreemde en onaanzienlijke zaken;

 

248

in de inhoudsopgave wordt bij het Encomium Ululae als schrijver opgegeven Conradus Goddaeus. Daaraan vooraf gaat hier het Encomium asini van Jean Passerat, dat midden op blz. 482 eindigt. Spiegel der blz. 101/2, bij 5 1/2,, cM.

Exemplaren in de Universiteitsbibl. te Leiden (2008 H 18) te Amsterdam (563 F 45) en Utrecht (Misc.litt. 8°. 302); een latere druk Noviom. R. Smetius 1676, letterlijk gezet naar den vorigen met dezelfde pagineering, is eveneens aanwezig in de Univ. bibl. te Amsterdam (328 G 4), deze heeft een frontispice met het jaartal 1677, waarop een aantal der res admirabiles in één voorstelling zijn samengebracht; twee ezels dragen hier een schilderij, waarop o.a. een olifant en zwanen voorkomen, en waarboven op de lijst een uil zit.

Deze uitgave wordt vermeld bij Graesse t.a.p. IV, 124. Zij is wellicht een nadruk van 5, vgl. beneden.

5. [Gegraveerd frontispice, vgl. beneden]. [Geen titelblad]. [LAUS ULULM authore Curtio Jaele, ace. Joannis Passeratii Encomium Asini. s.l. e.a.].

blz. 1—119 Laus Ululas authore Curtio Jaele. blz. 120—129 Joannis Passeratii Encomium Asini. [blz. 130 wit]. Spiegel 10 1/2 bii 5 1/2 cM.

Exemplaren in de Kon. Bibl. te ’s Gravenhage (183 M 38) en in de Universiteitsbibliotheek te Königsberg (Bea 40 G 7060 2e stuk).

6. [Gegraveerd frontispice, vgl. beneden]. HET WAARE LOF DES UYLS, Aan alle haare ingeschreeve Uylagtige Heeren, en Liefhebbers. Door koertje juyle, Te Glaskou, by Graauaardt Nagtenrijk, in de Uylestraat, in Uyladislay, Koonink van Poolen. En Het waare Lof des Ezels. Door Johannes Passeraat. [Fleuron]. ’t Amsterdam, By Samuel Imbrecht, en Adam Sneewater, Boekverkoopers. Anno 1664.

blz. [II] [Twee verzen:] Weest wellekom liefste Uyl… blz. [III— VI] Voor-reeden aan den boertminnende Leezer, Mijn Heeren, en Liefhebbers aller Uylen. blz. [VII—VIII] Aanspraak des Autheurs, tot zijn beminde Uyl, en alle uylagtige Liefhebbers. blz. 1—208 Het waare lof des Uyls, voorgedragen, en geschreven aan alle Uylagtige Heeren en Lief-hebbers, blz. 208 [onder den tekst twee verzen:] Vaardt wel mijn liefste Uyl… blz. 209—227 Jean Passerats Loff van den Eezel. [onder den tekst hetzelfde fleuron als op den titel], [blz. 228 wit]. Spiegel 11 1/2 bij 6 1/4 c M.

Deze vertalingen der beide stukken van Goddaeus en Passerat vormen tevens het 3e deeltje van een verzameling met den algemeenen titel: Veeler Wonderens wonderbaarelijck Lof. Behelsende het Lof van Het hatelick Podagra Dien aldertreffelicksten Uyl. Dien alderzede-stichtelicksten Ezel. [Fleuron]. t’ Amsterdam, By Adam Sneeuwater, Boeck-verkooper,

 

249

in de Stilsteeg, in ’t Cantoor Inct-vat, 1664. Een gemeenschappelijke Voorreden van 10 ongepagineerde bladzijden bespreekt in het kort alle opgenomen stukken. Het eerste gedeelte telt 222 bladzijden. Het titelblad van het tweede deeltje luidt: Harpocrates, ofte den Swygaert…. [drukkersmerk: de hoop op een anker zittend aan het strand, op den achtergrond schepen op zee], t’ Amsterdam, By Samuel Imbrecht, en Adam Sneewater, Boekverkopers, Anno 1664. Dit gedeelte telt 232 blz.

Exemplaar in de bibliotheek van de Maatsch. d. Ned. Lett. te Leiden (1225 H 6).
Tusschen de uitgave 5 zonder titel en de vertaling 6 bestaat een onmiskenbaar verband. De laatstgenoemde heeft bij het begin van verscheiden stukken gegraveerde prentjes, in het geheel zes. Het prentje voor het 3e gedeelte is in hoofdzaak een nabootsing a rebours van het frontispice der oorspronkelijke 2e uitgave. Alleen

 

250

is de wereldbol hier geplaatst op de ruggen van drie ezels, waarvan twee de koppen en de middelste de staartzijde naar voren keeren, staande op een stuk land met bergachtigen achtergrond. De hoofdfiguur heeft ook hier een bordje op de borst met het opschrift in het Nederlandsch: Lof des Uyls. De latijnsche uitgave 5 heeft in beide bekende exemplaren als frontispice een afdruk van diezelfde gravure, alleen is hier het nederlandsche opschrift weggemaakt en eenigszins grof vervangen door de woorden: Laus Ululas, terwijl daaronder op de wereldbol dan nog scheef is toegevoegd: & Asini. Deze uitgave 5 is dus naar alle waarschijnlijkheid een deel van een gelijktijdige of iets latere verzameling, die geheel of gedeeltelijk dezelfde stukken in het latijnsche origineel bevatte. Dit zou dan een soortgelijke bundel geweest moeten zijn als de door Smetius uitgegeven Admiranda… encomia.
De Voor-reden der nederlandsche verzameling is geen vertaling van het Lectori S. der uitgave van Smetius en ook de keuze der stukken is lang niet dezelfde. Strikt chronologisch zou dus waarschijnlijk de volgorde der drie laatstgenoemde uitgaven moeten zijn: vertaling 6 (1664), latijnsche tekst 5 (1664 of later), tekst Encomia 4 (1666). Zekerheid hierin is slechts te bereiken indien titel (en voorwerk?), ofwel de volledige bundel, die bij uitgave 4 behooren, werden teruggevonden. Wel staat vast dat 4 en 5 van elkaar zijn nagedrukt; in beide uitgaven ontbreken op dezelfde plaatsen de nederlandsche voetnoten, ook hebben zij enkele grieksche citaten alleen in latijnschen vorm; op blz. 595 = 113 hebben beide eenige regels overgeslagen; zij zijn trouwens van blz. 492 = 10 af regel voor regel en bladzijde voor bladzijde gelijk gezet; ook is dezelfde lettersoort gebruikt, doch het zetsel is niet identiek. De nederlandsche vertaling, wellicht dus de oudste van deze drie, blijkt in elk geval onmiddellijk naar de oorspronkelijke 2e uitgave te zijn bewerkt, daar zij, in afwijking van de uitgaven 4 en 5, ook de disticha aan het begin en einde, het Lectori festivo salutem en de (…) authoris (in verzen) weergeeft, en daar zij op de plaatsen waar de 1e en 2e uitgave verschillen geheel aansluit bij deze laatste. De vertaler is een ervaren classicus geweest, die de vele geciteerde verzen vlot in nederlandsch rijm overbracht, en die behalve Latijn en Grieksch ook Hebreeuwsch kende. Dit neemt niet weg dat de vertaling door breedsprakigheid en allerlei uitbreidingen in geestigheid ver achter staat bij het heldere en bondige oorspronkelijke Latijn.

 

251

Zoo groeit thans, nadat de betrekking tot den Muiderkring minder belangwekkend was gebleken dan men op Brandt’s voetspoor wel heeft gedacht, onze belangstelling voor Goddaeus en zijn satirisch prozawerkje deste meer. Daarmee blijkt hij zich in zijn eeuw een plaats te hebben verworven in de humanistische literatuur, waar hij mannen als Puteanus, Dousa, Lipsius, Heinsius, Barlaeus naast zich vond, allen met hun geleerde nugae geschaard in het gevolg van Erasmus, den lofredenaar der dwaasheid zelf. Het is een wonderlijke speling van het noodlot, die dit gedrukte, meermalen herdrukte en vertaalde werkje aan den roem van zijn auteur ontfutselde. Bij verscheiden oudere bibliographen vindt men inderdaad onder Curtius Jael de vermelding van den naam Goddaeus of Gaeddaeus (o.a. bij Graesse, Barbier, Vincentius Placcius, Emil Weller). Waar echter over Conradus Goddaeus en zijn Nieuwe Gedichten gesproken wordt (en dat is sedert Witsen Geysbeek vrijwel in alle literatuurgeschiedenissen), blijkt nergens dat de schrijvers ooit met Curtius Jael hadden kennis gemaakt. Sommigen gaven zelfs duidelijk te kennen dat zij de geroemde lof van den uil als een verloren nederlandsch gedicht beschouwden. En nog zouden ook wij de nederlandsche vertaling niet hebben weergevonden, als de combinatie met den naam van Passerat ons niet naar Koertje Juyle den weg had gewezen.

De meening, dat de cultus van het Latijn tegen het midden onzer 17e eeuw niet meer was dan een reeds verouderde of verouderende hebbelijkheid van de geleerde klassicisten, is op zichzelf gewettigd. Met dit inzicht echter kan men een boekje als de Laus ululae niet waardeeren. En ook veel van hetgeen de opkomende letterkundige beschaving in de landstaal toen nastreefde is slechts te begrijpen, als men daarin den universeelen en internationalen geest der geleerde urbaniteit van dat tijdvak herkent. Het verzorgde Latijn, dat volstrekt niet altijd tot onnatuurlijke of opgeschroefde gedachten dwong, bracht den schrijver en zijn lezer reeds dadelijk op een terrein van verstandhouding buiten de alledaagsche werkelijkheid. Daar kon men een conversatie voeren, die ook vanzelf los bleef van de zorgen en strubbelingen van ieders persoonlijk bedrijf; daar kon men elkaar door citaten en gedachtensprongen herinneren aan de verheven uitingen der bekende klassieke schrijvers en het wellicht onstichtelijke of ruwe van het leven opheffen in een sfeer van hooger begrijpen; daar

 

252

kon men zelfs het heilige met een luchtige wending in den gedachtengang betrekken, buiten gevaar dat dit slechts als spot of profanatie zou worden verstaan. Op dit plan kon men wijs en stichtend zijn, zonder dat geest en humor verstooten hoefden te worden. De ongeletterden, die tot zulk een peil van geestelijke beschaving niet reikten, konden dit Latijn niet lezen. Als later dergelijk werk ook in nederlandsche vertaling verschijnt zullen zeker ook lang niet alle kringen dezen humor begrijpen of waardeeren. De geestverwante tijdgenoot van Baerle heeft in den aangehaalden brief dezen toon van Goddaeus’ geschrift gekarakterizeerd: „Uw lof van den uil heeft mij zeer aangetrokken, waarin gij fijnen geest met geleerdheid, en met deze twee wijsheid hebt vereenigd. Gij sticht en vermaakt: het eerste doet gij met zeer heilzame vermaningen, het tweede met literairen scherts en geestigheid… Ik houd van die wijze van schrijven en heb zelf op dergelijke manier ernstige dingen gezegd. Wat door gewichtigheid van woorden niet inslaat, kleedt gij in eleganten en vriendelijken vorm, zoodat het niet meer tegenstaat”. Goddaeus zelf vertelt in zijn boven afgedrukten brief aan Huygens, hoe hij tot het schrijven van zijn uilenboekje gekomen is, toen hij, een jaar of iets langer geleden, langen tijd aan een slepende ziekte leed. Terwijl hij zich met niets ernstigs kon bezighouden begon hij over iets dwaas te denken en toen drong zich de uil aan hem op, die met haar nachtelijk geluid zijn eenzaamheid op de Veluwe vervulde. Hij brengt dan geestig de tegenstelling naar voren tusschen zijn dwaze verzinsels over den gedrochtelijken nachtvogel en Huygens’ helder en ernstig betoog over het gebruik van het orgel, dat hij met instemming gelezen heeft. Naast een zekere beleefde onderdanigheid ligt hierin toch vooral de verklaring, dat de lofrede op de uilen in de eerste plaats als een geestige dwaasheid is bedoeld. Dat daarachter de gedachten van een geleerd, wijs en vroom man verscholen liggen, konden de scherpzinnigheid en het oordeel van Huygens zelf wel ontdekken.

De uil is in Goddaeus’ boekje niet zelf aan het woord, zooals de dwaasheid bij Erasmus. De lofredenaar spreekt tot de denkbeeldige vergadering van hen, die als het ware tot eer van den uil vereenigd zijn, over het onderwerp van hun gemeenschappelijke vereering. In de inleiding wordt gezegd dat het, aangezien de Atheners algemeen bekend zijn om hun attischen geest, niet behoorlijk zou zijn als Athene’s heilige vogel van geest en aardigheid

 

253

verstoken zou blijven. De lofrede is dan ingedeeld als een grondige verhandeling: de naam, de aard en eigenschappen in het algemeen, en vervolgens de afzonderlijke soorten uilen worden uitvoerig ontleed, met klassieke citaten omkleed, van alle zijden toegelicht en van commentaar voorzien. Het geheel houdt den plechtigen betoogtrant van een academische redevoering goed vol; de humor schuilt in den ernst waarmee de onzinnigste dingen met elkaar in verband worden gebracht en in de dwaze wendingen waardoor weer op zich zelf ernstige gedachten daartusschen worden gevlochten. Welke grieksche en hebreeuwsche geleerdheid komt er al niet te pas aan de etymologie van den naam, naast de zotste verklaringen waarbij op middeleeuwsche wijze aan elken letter van het woord een symbolische beteekenis wordt gegeven! Hoe treffend wordt de goddelijke waardigheid van den uil bewezen uit het feit dat hij, die ’s nachts kan zien, het licht in zich zelve heeft, waardoor hij deste nader bij den oorsprong der schepping staat; allerlei beroemde mannen konden in het donker wel een beetje zien, maar niemand zoo volkomen; bovendien is dat zuinig, want er gaat in een huishouden anders heel wat weg aan olie en kaarsen. Sommigen denken wel dat het huilen iets wolfachtigs heeft, omdat men immers ook spreekt van huilen met de wolven in het bosch; maar dat is onzinnig want ieder weet dat de vogels eerder geschapen werden, zoodat alle gehuil inderdaad aan de uilen ontleend moet zijn. Hoe overredend is het thema uitgewerkt dat alles wat nachtelijk is zeer ten onrechte in een kwaad licht wordt gesteld! De maan b.v. is toch niet verachtelijk omdat zij ’s nachts schijnt? En Venus zelf wordt ook wel de nachtelijke bijgenaamd. Met liefde en uitvoerigheid beschrijft Goddaeus in dit verband den zang van de nachtegalen en wij voelen na, hoe de geluiden van den nacht den geest van dezen slapeloozen zieke vervulden. Welke spitsvondigheden moeten al niet dienen om de ingetogenheid, wijsheid, moed en verdere deugden van de uilen te bewijzen en aan de menschelijke uilenaanhangers voor te houden!

Tusschen de vele latijnsche en grieksche citaten ontbreken ook de toespelingen op het Nederlandsch niet. Ons woord huylen wordt naast ululare geplaatst; de naam noctua is bij ons nacht-uyl en nachtrave; glauci oculi noemen wij glas-oogen; de nachtegael, aldus genoemd omdat zij in den nacht zingt, heet in het Latijn luscinia „quod canat ante lucem”; op blz. 37 vinden wij in de 2e

 

254

uitg. als noot toegevoegd de uitdrukking: met de Weert van Bylevelt nae de Galge slenderen; bij den overgang naar de onderscheiden soorten heeft de 2e uitgave een uitbreiding (1e uitg. blz. 49, 2e uitg. 55—58), waarin vooraf allen met name worden genoemd en wel in het Nederlandsch, omdat deze wel hier te lande voorkomen maar niet allen bij de ouden worden gevonden: steen-uylen, kat-uylen, rans-uylen, kerck-uylen, oor-uylen, wout-uylen, nachtuylen, velt-uylen en veen-uylen; over de kat-uyle heeft de 2e uitg. blz. 62—64 een nieuw gedeelte, waarin de uitspraak van een boer wordt vermeld die in zijn moedertael uitriep: siet daer een katte met veeren; op blz. 65 begint dan het gedeelte over de aluine ofte ransuyle (1e uitg. blz. 52), waarbij de amsterdamsche wederdoopers van 1535 te pas komen; op blz. 55 (2e uitg. 68) wordt de mantel met kap genoemd dien de vrouwen dragen „zooals wij zeggen” een Capertjen; op blz. 57 (2e uitg. 73) komt de steenuyle, wier roep kiwiw veel lijkt op die van de kivit; in de 2e uitg. volgen dan op blz. 74 nog eenige wetenswaardigheden over de kerckuylen en hiermee zijn op blz. 75 (1e uitg. blz. 57) de soorten afgehandeld. Heel veel roemruchte namen staan in het teeken der uilen, zooals Uladislaus, de Poolsche koning, en o.a. de families den Uyl, Uylenkamp, Uylenburg, Uylendorp, ook de naam Lissabon wordt uit Ulyssibona afgeleid en zoo tot den uilenstam gebracht en dan de heele amsterdamsche buurt Ulenburg (2e uitg. blz. 76; in de vertaling is dit blz. 70—72 nog uitgebreid met een heel stuk over St. Oelof en de Oude-zijds-kapel). Dan zijn er ook de nachtvlinders die wij Uyltjens en mot-uylen noemen (2e uitg. 77). Daarna worden in den breede de verdiensten der uilen naar lichaam en geest beschreven. Op blz. 97 heeft de 2e uitg. een vergelijking met andere vogels die allerlei dwaze praat verkoopen, waarbij de noot hun roepen in het Nederlandsch geeft: papegaaien herhalen altijd hun eigen naam (belgicè moey Papegaeytjen), spechten roepen maget, maget, als om zich voortdurend op hun maagdelijkheid te beroemen, raven zeggen telkens goeden dach Swager, alsof iedereen familie van hun was (de vertaler heeft dit weer vermeerderd met de eksters die Kladdegat roepen, blz. 92). Op blz. 94 (2e uitg. 120, vert. 117) is sprake van een veluwschen boer, die een heelen bijenkorf in den IJsel gooide omdat de bijen hem gestoken hadden en hij zeide baas te willen zijn over zijn eigen bezit. Op blz. 102 (2e uitg. 127) spreekt Goddaeus van een nederlandsch werkwoord uylen, blijkbaar in een beteekenis als nu bij ons „pes-

 

255

ten” (de vertaler schijnt deze beteekenis niet te kennen, blz. 125) ; op 104 (2e uitg. 129) vinden wij de uitdrukking op krukken gestelt, door den vertaler weergegeven als den uyl op zijn kruk (blz. 126) 1); op 108 (2e uitg. 133) is weer in een noot sprake van hoorndragers (vertaling 131 breidt dit in den tekst uit); weer alleen in de 2e uitg. (blz. 137) geeft de noot een uyltjen vanghen voor een dutje doen (vert. 138); evenzoo blz. 144 ’t Is soo veel, als gheeft de duyven eens drincken, volgens den vertaler een oud spreekwoord, dat zeggen wil: het helpt evenveel als een boon in een brou-keetel (blz. 145). Op blz. 123 (2e uitg. 149, vert. 150) lezen wij over pijpkannen ; op blz. 136 (2e uitg. 164, vert. 166) de uitdrukking inde uylenvlucht, d.i. bij het vallen van den avond. Bij een verhandeling over afbeeldingen van den uil hooren wij (2e uitg. blz. 178, vert. 190) dat in Amsterdam op de „kakhuysen” een uil met een tabakspijp in den bek was geschilderd; in de 2e uitg. 180 (vert. 192) wordt een afbeelding beschreven van een uil aan een spinnewiel, waarbij een westfaalsch deuntje wordt aangehaald: Daer sat ein Uul und span; en wederom alleen in de 2e uitg. op blz. 182 (vert. 195) vinden wij de uitdrukking: Elck meynt dat zijn Uyltjen een Duyfjen is; evenzoo 2e uitg. 184 (vert. 198) als vertaling bij een choor van Aristophanes in het Duitsch: Ich sal tantzen, Ich muss tantzen, Ich will auch tantzen. Aan het slot wordt dan ook nog herinnerd aan Uilenspiegel (blz. 161, 2e uitg. 185, vert. 198).

Zoo bevat het boekje, naast de biologische, historische, litteraire en theologische bijzonderheden waar het vol van is, ook allerlei dat de nederlandsche folklore raakt. De tweede uitgave heeft inderdaad vele toevoegsels en omzettingen die verrijkingen zijn; de vertaler heeft hier en daar nog weer uitgebreid; toch is de latijnsche 2e editio auctior zeker aan te bevelen voor wie mogelijk nog

1) Het frontispice van de 3e uitgave (boven afgebeeld) toont ons den uil op zijn kruk, terwijl de andere vogels om hem heen zwermen en hem bespotten; waarschijnlijk is daar afgebeeld hoe hiervan gebruik wordt gemaakt bij de vogelvangst; Goddaeus beschrijft dit (ie uitg. blz. 144, 2e uitg. blz. 163 der tweede telling) en in de vertaling blz. 175 wordt het aldus weergegeven: „Want door zijn toedoen weeten de Weyluy alderly slagh van Voogelen aan lijm stangen, en stocken vast, of in haare netten te krijgen. Hier in gaan zy hem voor eerst stellen op een heerlijcke kruk, daar hy naauw een ooghenblick gherust, en met vreede op zitten mach, of daar komdt hem daadelijk een geweldigh gesnor van alderley Vooghelen om de ooren snuyven: Eeven of het een wonder groot miraakel was, dat men zyn stal, en weezen dus by den helderen dach verneemdt”.. . Het lijkt wel of de man op het prentje tracht het vogeltje, dat reeds bij den uil op de schutting zit naar zich toe te lokken om het te pakken.

 

256

eens nader met den geest van dit origineele geschriftje zou willen kennis maken.

Het is juist drie eeuwen geleden dat de jonge Conradus Goddaeus zijn intrede deed in zijn geboortedorp. Nu wij zijn leven en zijn werk opnieuw overzien rijst daar voor ons het treffende beeld op van den stillen veluwschen dorpspredikant, die zulk een geestig student en beschaafd klassicist was; die zijn kort leven tusschen zijn simpele landlieden en zijn talrijk gezin doorbracht; en die zich op zijn ziekbed vermaakte met het bijeenbrengen van zijn narrenwijsheid over de uilen en hun gezang.

Rotterdam. F. Kossmann.

 

De hexameter in goddaeus’ brief aan Huygens (blz. 242).

Na eenig vruchteloos zoeken is het nog gelukt dit vers weer te vinden, nml. in Horatius’ Brieven, boek II, Epist. 1, vs. 85.

……….. quae

Imberbes didicere, senes perdenda fateri.

Goddaeus heeft zich dus een kleine vrijheid veroorloofd bij het citaat. Een fout in den afdruk van den brief is echter de punt achter: taedet. Hiervan toch hangt het geciteerde fragment af: „het staat tegen om als men oud is te bekennen dat hetgeen men in zijn jeugd heeft geleerd verworpen moet worden”.

F. Kossman.
Rotterdam

Bron: Het boek; Tweede reeks van het tijdschrift voor boek- en bibliotheekwezen jrg 22, 1933/1934 [volgno 5], pag. 231-256.

 

Pop doet intrede in Vaassen

A. F. P. Pop, gekomen van Nijkerk, deed 1 November intree in de Herv. Gem. te Vaassen; tekst Johannes 1 : 29b, bevestigd door K. J. van den Berg van Amersfoort ; tekst Jesaja 62 : 6, 7.

Bron: Stemmen voor waarheid en vrede jrg 62, 1925 [volgno 2], pag. 993.

 

Schenkingen voor de Diaconie

VAASSEN, 11 Dec.

Door diakenen is in de collectebus gevonden, een pakje waarin twaalf gouden tientjes. Den onbekenden gever zij daarvoor dank.
Eene overleden zuster der gemeente, mejufvr. G. van der Vaart, heeft uit hare nalatenschap de som van ƒ 100 aan de diakoniearmen geschonken.

Bron: Stemmen voor waarheid en vrede jrg 18, 1882 [volgno 2], pag. 112.

 

Lucas bevestigd Van Otterloo in Heenvliet

HEENVLIET, 3 Maart.

Na heden voormiddag door zijnen broeder Ds. W. A. J. Lucas te Vaassen, bevestigd te zijn, met Hand. X: 66; “Deze zal u zeggen wat gij doen moet,” begon Dr. A. A. van Otterloo in het namiddaguur zijne Evangelieprediking in ons midden, met eene intreêrede over Luk. X: 42a: «Één ding is noodig.”

Bron: Stemmen voor waarheid en vrede jrg 15, 1878 [volgno 2], pag. 450.

 

Roscam Abbing was hulpprediker in Vaassen

GINNEKEN, 20 Maart.

Heden had hier de teraardebestelling plaats van een der vroegere Leeraren onzer gemeente, den heer P. Roscam Abbing, sedert 1870 emeritus. Hij ging tot de gemeente der verlosten in op denzelfden dag, waarop hij in 1833 zijne intrede in ons kerkgebouw deed, namelijk den 17 Maart. Vroeger was hij in de gemeente Oss en Vaassen, gedurende eenigen tijd, als hulpprediker werkzaam geweest.

Bron: Stemmen voor waarheid en vrede jrg 13, 1876 [volgno 2], pag. 584.